Stigmatisering

Overheid schrapt de term ‘allochtoon’ uit vocabulaire

Het woord „allochtoon”, letterlijk „van een ander land”, was ooit bedoeld als neutraal. Socioloog Verwey-Jonker introduceerde de term in 1971 ter vervanging van het beladen „buitenlander” en „vreemdeling”. Maar nu heeft ook „allochtoon” zijn tijd gehad, schrijft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in een deze dinsdag verschenen rapport.

De WRR en het Centraal Bureau voor de Statistiek schrappen de woorden „allochtoon” en „autochtoon” en „westers” en „niet-westers” uit hun vocabulaire. De termen zijn volgens de instanties niet precies genoeg en hebben een stigmatiserende lading. „Migranten zijn inmiddels zo verschillend qua herkomstland, migratiemotief en migratieduur dat ze niet meer onder deze overkoepelende termen zijn te vangen”, staat in het rapport Migratie en classificatie: Naar een meervoudig migratie-idioom.

Gebruik van de term „allochtoon” ervaren veel migranten als „negatief en beladen”, schrijft de WRR. Zo blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, dat de term in onderzoek al enkele jaren niet meer gebruikt, dat migranten zichzelf minder als „allochtoon” zien naarmate zij zich meer thuis voelen in Nederland, minder problemen ervaren met de Nederlandse taal en een betere arbeidsmarktpositie te hebben.

In maart nam de Tweede Kamer een motie aan van de SP en de PvdA waarin minister Asscher (Sociale Zaken, Pvda) werd aangespoord de term „allochtoon” te onderzoeken. De initiatiefnemers vonden het gebruik niet meer van deze tijd.

Toch verdwijnt het onderscheid niet helemaal, zegt de WRR. „Kleurenblindheid in de officiële statistieken leidt tot een gebrekkig zicht op achterstanden wat betreft onderwijs, arbeidsmarkt en gezondheid.” De WRR zegt voortaan de termen „inwoners met een migratieachtergrond” en „inwoners met een Nederlandse achtergrond” te willen gebruiken als dat nodig is. „Hoewel dit een verbetering is kan ook deze nieuwe indeling op den duur negatief geladen raken.”