‘Flexwerker krijgt twee derde van vast salaris’

Werknemers met een flexibel contract krijgen 59 tot 72 procent minder betaald dan vaste werknemers die hetzelfde werk doen. Dat concludeert het Centraal Bureau voor de Statistiek dinsdag in een nieuwe vergelijking van vergoedingen.

Oproep- en invalkrachten zijn het slechtst af, met name de jongeren en studenten in de horeca en winkels. Zij werken kort – minder dan 20 uur per week– in branches die sowieso niet veel betalen. Ze krijgen gemiddeld 59 procent van het salaris dat iemand in vaste dienst krijgt.

Bij deze vergelijking zijn baan- en persoonskenmerken al gecorrigeerd (zoals geslacht, leeftijd, opleiding, herkomst, ervaring en type bedrijf). De flexwerkers met de kleinste inkomstenverschillen hebben uitzicht op een vast contract en zitten op 72 procent van wat vaste werknemers verdienen, aldus CBS.

In 2015 werkten 1,8 miljoen mensen in Nederland met een flexibel contract – meer dan 20 procent van het totaal.

Mariette Patijn van vakbond FNV vindt dat ondernemers de risico’s van het vak afwentelen op personeel, met name in de horeca en de detailhandel. „Oproepkrachten hebben een te korte werkweek, nauwelijks zeggenschap over hun eigen tijd en roosters die ’s ochtends pas bekend zijn. Zij moeten veel uren beschikbaar zijn, maar worden onvoldoende uren opgeroepen om een zelfstandig bestaan op te kunnen bouwen.”

FNV definieert een ‘Echte Baan’ als „een vaste baan of een baan met uitzicht op vast, en met een inkomen waarvan je fatsoenlijk kunt leven.”

Jurriën Koops, directeur van de Algemene Bond Uitzendondernemingen, vindt dat CBS ‘appels en peren’ met elkaar vergelijkt. „Sinds 2015 hebben uitzendkrachten gelijk loon voor gelijk werk, de CAO inclusief toeslagen en periodieken.” Koops noemt het onderzoek te grofmazig. „Je moet individuele verschillen vergelijken. De cijfers zijn gecorrigeerd voor 8 of 9 factoren, dat maakt het lastig zulke algemene uitspraken te doen.”