Cultuur

Interview

Interview

©

‘Een revolutie is als verliefd zijn’

„Ik was ook zo iemand als Hedi”, zegt de Tunesische regisseur Mohamed Ben Attia over de lusteloze autoverkoper in zijn debuutfilm. „Maar door de revolutie veranderde alles.”

‘Een film maken is net een blind date”, vertelde de Tunesische regisseur Mohamed Ben Attia (1970) afgelopen zomer in Amsterdam. „Soms ontmoet je een publiek waarmee het klikt omdat het op dezelfde manier denkt als jij, dat het fijn vindt als er een dialoog ontstaat over de film. En soms slaat de vonk gewoon niet over.”

Ben Attia reist sinds zijn film Hedi, die in februari op het Filmfestival Berlijn werd bekroond met een prijs voor beste debuut en beste acteur, het Europese festivalcircuit af. Het semi-autobiografische verhaal over een lusteloze Peugeotverkoper die na een romance met een vrijgevochten vrouw besluit zijn eigen weg te gaan, is volgens de regisseur zoveel meer dan een liefdesverhaal.

„In de kern is het een politieke film”, zegt hij. Maar zelfs in Tunesië waar men de verwijzingen naar pers, paleis en parlement moeiteloos zou moeten herkennen, zijn er mensen die er vooral een liefdesverhaal in zien. Ben Attia is te beschaafd om er teleurgesteld door te zijn: „Het is dan ook een erg mooi liefdesverhaal. Maar het is wel een liefdesverhaal over politieke hoop en bewustwording.”

Net als Hedi heeft Ben Attia twaalf jaar als autoverkoper gewerkt. De eerste kiem van het scenario dateert uit die tijd: „Het geestdodende werk, de bureaucratie, ik heb het allemaal ondergaan. Wat het tekenen voor Hedi is, werd filmmaken voor mij.”

Lees de recensie van Hedi: Een autoverkoper ontwaakt

Jasmijnrevolutie

De grote doorbraak kwam door de Jasmijnrevolutie van 2010/2011: „In een paar weken tijd ontwaakte er iets in ons land, in mijn generatie. Het was alsof we voor het eerst ontdekten wie we waren, wat we echt dachten, wat we zelf voelden. De politieke censuur was zo fijn vertakt in het openbare en culturele leven, dat we heel oppervlakkig waren geworden. Voor de revolutie was ik misschien ook zo iemand als Hedi, nu kreeg alles een politieke laag. Dat moest ik wel in het scenario verwerken.”

Hij neemt uitgebreid de tijd om te filosoferen wat het dan was, dat politieke, maar ook mentale ontwaken, en waarom de revolutie niet echt kon doorzetten. Waarom was het zo moeilijk om dat gevoel van bevrijding en euforie vast te houden? „Misschien is het wel net als met verliefd zijn”, begint hij. „Als de eerste roes voorbij is, blijkt de ander misschien toch niet zo leuk als gedacht.”

Revolutie als verliefdheid. Er zit wat in, maar hij is toch niet helemaal tevreden met zijn verklaring: „Voor een deel is het ook een religieus verschijnsel. Onze religie leert je niet om in dit leven gelukkig te zijn. Het leven wordt gezien als een soort testrit. De existentiële angst voor de dood die ieder mens kent, wordt niet verzacht door een goed leven, maar aangemoedigd. Sterven wordt als iets goeds gezien. Leven is maar bijzaak. Geen wonder dat mensen dan niet meer weten hoe te leven.”

Geluksvogel

Hij haast zich te vertellen dat hij zelf wel gelukkig is: hij heeft een kind van wie hij houdt, een vrouw die hij liefheeft en de mogelijkheid het beroep uit te oefenen dat hij wil. Hij is een geluksvogel, maar weet niet hoe het leven voor anderen beter te maken is. „De gedachte dat je anderen kunt helpen gelukkig te worden, door gedrag, of door hun sociaal-economische omstandigheden te verbeteren heb ik opgegeven. Lees Michel Houellebecq maar.”

Voelt hij zich door al dat reizen en spreken over de Tunesische politiek een soort spreekbuis, of ambassadeur? „Voor de revolutie kwam ik met mijn korte films op festivals en dan vroegen mensen, Tunesië, waar ligt dat, Indonesië? Nu merk je dat mensen nieuwsgierig zijn, vooral naar de verhalen die ze niet via de traditionele media meekrijgen. Die schrijven dat er protesten waren, maar niet dat er geen werk is, en honger.”

En hoe is de situatie nu? Er is veel veranderd, maar niet altijd in de goede zin, vindt hij. „Het goede is dat mensen gedwongen zijn om na te denken over wie ze zijn en wat ze willen. Maar er is ook veel chaos, want we hebben als land nog niet het intellectuele en politieke gereedschap ontwikkeld om de problemen meteen het hoofd te bieden. We hebben cultuur nodig, en de nieuwe generatie. Ik wil niet als een oude man klinken, maar de jeugd is blasé en de culturele elite praat nog steeds over dezelfde dingen als voor 2011.”