De glamour van het slagveld

De bloedige chaos van ‘Hacksaw Ridge’ benadert Spielbergs ‘Saving Private Ryan’. Hoe extremer het geweld, hoe meer glamour de helden krijgen.

©

‘Truffaut had gelijk’. Die uitspraak is inmiddels een internet-cliché. Waarover de Franse filmlegende gelijk had? In november 1983 zei François Truffaut (1932-1984) in een interview met Gene Siskel dat hij nog nooit een anti-oorlogsfilm had gezien. Want: „Elke film over oorlog is uiteindelijk pro-oorlog.” Een rekruteringsfilm.

Zelfs Paths of Glory (1957), Stanley Kubricks meesterwerk over militair cynisme in de Eerste Wereldoorlog, vroeg Siskel. „O ja, Kubrick is dol op geweld.” Truffaut niet: vandaar dat zijn activisme tegen de Algerijnse oorlog in de jaren zestig nooit een ‘anti-oorlogsfilm’ had opgeleverd.

Mise-en-scène van massaal geweld maakt oorlog altijd nobel; als één film Truffauts gelijk bevestigt, is dat Hacksaw Ridge van Mel Gibson. Op het festival van Venetië kreeg Hollywoods verloren zoon een staande ovatie van tien minuten voor wat hij zelf – weifelend – omschreef als ‘anti-oorlogsfilm’. In Hacksaw Ridge is het namelijk Desmond Doss, een strikt vegetarische, pacifistische zevendedagsadventist, die zijn leven waagt om 75 gewonde soldaten uit de vuurlinie te redden. Het toneel is de 82 dagen durende veldslag om Okinawa van april-juni 1945, een hel van kamikaze-acties en hysterische stormlopen waarbij een kwart miljoen doden vielen. Doss verdiende er als eerste Amerikaanse gewetensbezwaarde de ‘medal of honor’.

Hacksaw Ridge volgt een bekend stramien: de outcast die zich als held ontpopt. Wat de film bijzonder maakt, is de meedogenloze, operateske choreografie van oorlogsgeweld. Gibsons veldslag is een bloedballet: fonteinen van modder, gehalveerde lichamen die door de lucht tuimelen, grommende tango’s met mes en bajonet in mansgaten. De dood kan altijd en overal toeslaan, zonder logica. Gibson nagelt de kijker zo verbluft in zijn stoel: als dit een anti-oorlogsfilm is, hoe ziet een oorlogsfilm van Gibson er dan uit?

Lees de recensie van Hacksaw Ridge: Een christen-pacifist in de hel

Saving Private Ryan

Hacksaw Ridge benadert de standaard die Steven Spielberg in 1998 zette met zijn landing in Normandië in Saving Private Ryan, een scène van 24 minuten. Wat Spielberg invoelbaar wilde maken, was de wreedheid, willekeur en chaos van het slagveld. Hij mengde vrij lange shots – in de landingsboten, achter tankobstakels – met subjectieve opnames door de ogen van kapitein Miller (Tom Hanks) en Duitsers in de bunkers. De camera was onderdeel van het geweld: hij bleef laag, zocht dekking, schudde bij inslagen, kreeg zand en bloed op de lens.

Met iets minder subjectieve cameravoering, maar evenveel dynamiek en kraakheldere chaos onderstreept Mel Gibson in Hacksaw Ridge zijn enorme talent voor actie. Zijn Okinawa is mijlenver verwijderd van de overzichtelijke heroïek van klassieke oorlogsfilms waarin soldaten bloedloos, en soms met stemmige laatste woorden, sneuvelen. Maar door de angst, willekeur en smerigheid van het slagveld invoelbaar te maken, wordt de heroïek van soldaten die met trillende handen of kotsend van angst het abattoir betreden nog indrukwekkender. Spielberg had met Saving Private Ryan ook geen anti-oorlogsfillm in gedachten, maar een eerbetoon aan de ‘Stille Generatie’ die door babyboomers in de jaren zestig zo was verguisd.

De kracht van geloof

Hacksaw Ridge heeft net zomin pacifistische intenties. De film bevat vertrouwde Gibson-elementen, zoals de noodzaak van waanzin: de Amerikanen breken door als een soldaat krijsend, met een door midden gerukte collega als menselijk schild, op de Japanners afstormt. Collega’s redden meermalen met geweld Doss’ leven, in de finale schopt hij zelfs handgranaten naar verraderlijke Japanners: zijn overlevingsdrang is sterker dan pacifisme. Het is er Gibson eerder om te doen de kracht van geloof te tonen. Vurig tot God biddend vindt Doss kracht om een leven te redden, en nog een, tot hij een soort hemelvaart beleeft.

Waarmee Okinawa, zoals elke verfilmde veldslag, uiteindelijk een test van karakter wordt. In films legt oorlog de kern van elke man bloot: de patser blijkt een lafaard, de sukkel een held. Daar leer je jezelf echt kennen.

Of de oorlog zelf zinloos is, doet er niet toe. Zie de grote anti-Vietnamfilms: The Deer Hunter (1978), Apocalypse Now (1979) Platoon (1986) en Full Metal Jacket (1987). Wat beklijft? De helikopteraanval met Wagner en „I love the smell of napalm in the morning”, Willem Dafoe die als sergeant Elias in slow motion door kogels wordt gekruisigd. „Toch weer een rekruteringsfilm”, tekende een criticus op van regisseur Sam Fuller na Kubricks anti-oorlogsfilm Full Metal Jacket.. Die toonde hoe het leger mannen tot moordmachines drilt, maar ook dat het slagveld in Hué zulke machines nodig heeft. In de film zal oorlog altijd sexy zijn: Truffaut heeft gelijk.