Opinie

D66 is wat het ooit bestreed

Het partijpolitieke bestel laten ontploffen, dat is D66 nooit gelukt. Tijd voor een nieuwe democratische voorhoede, vindt .

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Op een ‘feestcongres’ vierde D66 zijn vijftigjarig bestaan. De ironie wil dat oprichter Hans van Mierlo het met de term ‘vieren’ pertinent oneens zou zijn geweest. D66 is namelijk opgericht met het idee om het partijpolitieke bestel, en daarmee ook zichzelf, te laten ontploffen.

De partijen, kinderen van de verzuiling, zouden volgens het D66 uit de jaren zestig de kiezer niet goed genoeg meer representeren. Met voorstellen zoals de gekozen minister-president, herinvoering van het districtenstelsel en het referendum probeerde D66 meer macht bij de kiezer te leggen. Maar D66 heeft geen van zijn ‘kroonjuwelen’ kunnen verzilveren. De onvrede onder burgers is dan ook niet kleiner geworden. Zo kwam De Hond laatst met een peiling waarin slechts 44 procent van de respondenten aangaf Nederland een echte democratie te vinden.

Echte democratie wordt gekenmerkt door rechtstreekse verantwoording aan burgers door politici, waardoor de bevolking in theorie altijd het laatste machtswoord heeft. Dat is in Nederland niet het geval: politici zijn in de eerste plaats verantwoording schuldig aan hun partij, en niet aan ons. De partijen, poortwachters van ons politieke systeem, hebben directe macht over de invulling van zetels. Kamerlid, burgemeester of minister: zonder je eerst omhoog te werken in een partij kom je als politicus nergens. Dit dwingt politici naar hun partij te luisteren, omdat zij anders hun carrière kunnen vergeten. Het ontbreekt burgers aan de macht om de politici zelf ter verantwoording te roepen. Daarmee is Nederland geen echte democratie, maar een ‘particratie’: een systeem waarin partijen overwicht in de besluitvorming hebben.

Dit stelsel heeft zijn tijd gehad. Het blinde vertrouwen in de partij als machtige institutie is weggesijpeld: minder dan 2 procent van de stemgerechtigden is partijlid. Daarnaast wisselen we tijdens verkiezingen steeds vaker van partij en leest niemand meer een partijprogramma. Kortom, partijen doen er niet meer zoveel toe. Dat is geen apathie, maar emancipatie. Burgers zijn beter opgeleid en mondiger dan ooit. We ondertekenen petities, zijn actief in maatschappelijke bewegingen en discussiëren ons suf. De partijen vormen niet de centrale spil binnen ons politieke leven; onze politieke meningsvorming hoeft niet meer uitbesteed te worden aan een ideeënbureau.

Daarom is het tijd afscheid te nemen van onze machtige partijen en de burgers zelf meer het heft in handen geven. Dit kan door meer referenda en meer invloed van burgers op wie de belangrijke banen krijgt: de sleutel tot het afdwingen van democratische verantwoording. Op weg naar vernieuwing hoeven we van D66 niet veel te verwachten: nu de partij haar plaats heeft opgeëist, zou zij wel gek zijn om zekerheden op te zeggen in ruil voor lossere partijverbanden waarin bestuurlijke en vertegenwoordigende functies door de burgers zelf worden gekozen.

We hebben een nieuwe democratische voorhoede nodig. Laten we het debat over de machtskwestie vooral niet afhangen van het moment dat ‘de politiek’ erover begint, maar laten wij dat zelf doen. Democratischer kan het niet.

Arnout Maat is historicus, politicoloog en publicist. Recent verscheen zijn debuut De particratie bij uitgeverij Aspekt.