Recensie

‘Ik wil dat je ervaart hoe verwarrend de puberteit is’

Interview

Frank Witzel (61) schreef een roman over een jongen in de jaren zestig. ‘Je zou kunnen zeggen dat West-Duitsland in die periode in een soort puberteit zat.’

©

Blije Nederlandse auteurs die dankzij een vertaling een groter taalgebied bereiken: we zien ze vaker. Je staat er niet vaak bij stil dat de verrukking ook in omgekeerde vorm mogelijk is. „Dat mijn roman daar nu gewoon ligt in het Nederlands, dat is een droom die uitkomt”, zegt de Duitse schrijver Frank Witzel, wijzend in de richting van boekhandel Athenaeum op het Amsterdamse Spui.

Witzel (61) deelt zijn geluksmoment in vrijwel perfect Nederlands. Hij kreeg het een jaar of twintig geleden onder de knie, toen een vriend van hem in Rotterdam woonde. Uiteraard gebeurde dit via de literatuur. Witzel las onder meer Hermans en Reve. Nu is hij op uitnodiging van het Letterenfonds een tijdje in Amsterdam en heeft hij de taal weer opgepikt. „Amsterdam is met al die antiquariaten en boekhandels de hemel én de hel voor mij”, zegt hij. „Ik heb al vier dozen met aangekochte boeken naar mijn huis laten sturen.”

Hoog op de verlanglijst staat Hermans’ Het evangelie van O. Dapper Dapper, opvolger van het experimentele De God Denkbaar, Denkbaar de God, misschien wel Witzels favoriete Nederlandse werk.

Witzels voorkeur voor het experimentele verbaast niet: dat blijkt ook uit zijn zojuist vertaalde magnum opus, waarvan alleen al de titel zo lang is dat die niet eens op de voorkant van de flap past: Hoe een manisch-depressieve tiener in de zomer van 1969 de Rote Armee Fraktion bedacht. Hierin buitelt de ene literaire greep over de andere. Zijn schets van een puberleven in het naoorlogse West-Duitsland is verre van traditioneel verteld. Witzel nam meerkeuzevragen op, voetnoten, filosofische aforismen, passages die zich eerder als poëzie laten lezen dan als proza, een dialoog die uit een filmscript lijkt te zijn gehaald en hij speelt met het gegeven van de ‘Nazi Word Factor’, een soort academische graadmeter om te bepalen hoe bepaalde woorden ‘besmet’ zijn met het nazisme (een woord als ‘Alpengloed’ scoort hoog).

Het boek (900 bladzijden schoon aan de haak) is te vergelijken met een wandeling door een spookhuis: je weet nooit waar je door verrast gaat worden. Maar: het is wel een tamelijk ernstig spookhuis. Het is Witzel niet om de lach te doen.

Wat stond u voor ogen toen u aan dit werk begon?

„Ik was een 14-jarige jongen in 1969 en heb altijd het gevoel gehad dat ik destijds in een bijzondere tijd leefde. Ik was puber, maar je zou kunnen zeggen dat West-Duitsland zelf ook in een soort puberteit verkeerde. Je had de naweeën van de Tweede Wereldoorlog, de opkomst van de popmuziek, de invloed van de kerk op het land, en de opkomst, of het ontstaan van linkse protestgroeperingen. De RAF werd actief maar opereerde nog niet onder die naam. Kort ervoor hadden ze brand gesticht in een aantal warenhuizen, de zogenaamde Kaufhaus-Brandstiftungen, maar hierdoor werden ze door de publieke opinie nog niet weggezet als terroristen, ze konden zelfs op enige sympathie rekenen. Er zijn veel verschillen aan te wijzen tussen mijn hoofdpersonage en mijzelf, maar feit is wel dat ik nog niet klaar was met die periode. Ik heb willen laten zien wat een jong iemand in die tijd maakte van zoveel krachtige verhalen om hem heen.”

Het bijzondere aan de roman is dat je eerst denkt dat RAF het belangrijkste woord uit de titel is, daarna ‘tiener’ en dat je vervolgens moet concluderen dat de roman in wezen draait om dat ‘bedacht’.

„Het idee van verdwazing is erg belangrijk voor het boek. Ik geef zo weinig concrete informatie over deze jongen omdat ik wil dat de lezer ervaart hoe verwarrend het kan zijn om op die leeftijd grip op de wereld om je heen te krijgen. Ik schrijf niet: en toen liep hij in dat jaar naar zijn school waar hij les kreeg van die en die, nee, ik wil dat je meemaakt dat een brein niet zo werkt op die leeftijd.

„In de Duitse titel is Erfindung inderdaad het belangrijkste woord. Maar dat kon niet vertaald worden, want ‘de uitvinding van’ is geen correct Nederlands, daarom is het ‘bedacht’ geworden. Mijn personage wordt door heel veel bronnen gevoed, maar hij ontwikkelt toch, of misschien wel daardoor, geen frame waar hij iets mee kan. Hij zoekt een frame, maar doordat hij overal zo zwaar aan tilt en alles beredeneert en met elkaar combineert, komt er niets bruikbaars uit voort. Dat maakt hem gek, zou je kunnen zeggen, want ook de vraag of hij wel als gek weggezet kán worden, wilde ik aan de orde stellen.”

Zijn probleem is de ernst?

„Hij wil deugen, hij wil het goede doen en probeert in kaart te brengen wat wel en wat niet door de beugel kan. Hij is niet, om met Nietzsche te spreken, voorbij goed en kwaad. Hij zit daardoor heel dicht tegen de paranoia aan, want een definitie van paranoia is dat je alles even serieus neemt, overal even zwaar aan tilt. En met die houding gooit hij alles bij elkaar, zodat hij een portret van de uitgehongerde RAF-terrorist Holger Meins voor een portret van Jezus aan kan zien. Zo kun je niet leven. Het is geen filosofisch spelletje dat hij speelt, het is existentieel.”

Wat betekent de RAF nog voor u en voor Duitsland?

„De jonge generatie schrijvers, zij die na 1970 geboren zijn, hebben naar de RAF gekeken en geconstateerd dat het een soort popsterren waren. Ze hebben culturele iconen van hen gemaakt. De Baader-Meinhof Gruppe vormden ze om tot Prada-Meinhof Gruppe. Maar voor iemand als ik, die de RAF-tijd bewust heeft meegemaakt, staat dat helemaal haaks op hoe het was. Het had helemaal geen glamour, het was een bleierne Zeit, een loden tijd. Grijs. Zwaar. Ik heb het woord RAF in de titel opgenomen en niet ‘hippiebeweging’ of ‘studentenbond’ of iets dergelijks, omdat het een woord is dat als het ware vastligt, het kan niet in het hoofd van de lezer verschillende kanten op gaan. Voor Duitsland geldt, zeker voor oudere Duitsers, dat het echt een groot litteken is.”

Een belangrijk thema in uw boek is de vraag of de vrije wil bestaat.

„Neem het geloof. De jongen heeft een katholieke vorming, maar is, doordat het strengere protestantisme zo dominant is in de omgeving, eigenlijk protestants. Voor hem ontbreekt daardoor zoiets als verlossing, hij blijft schuldig. En wat betreft zijn psychische staat: ik vind niet dat hij ziek is of een aandoening heeft, ik denk dat het goed voorstelbaar is dat hij zich zo ontwikkelt met al die krachtige verhalen om hem heen. Toch laten ze hem opnemen in instellingen, omdat men ervan overtuigd is dat hem wel degelijk iets mankeert. Dóór die constatering gelooft hij zelf ook dat hij ziek is. En die opgedrongen diagnose bepaalt zijn gedachten.”

Omdat zijn toestand onwenselijk is. Disfunctioneel.

„Inderdaad. Doordat hij ook die diagnose zo serieus neemt, is hij alleen maar met het verleden bezig, hij legt het niet af. Eerst was hij een puber met een heden en een toekomst, later is hij iemand met slechts een verleden, omdat hij steeds dezelfde vragen stelt over die tijd die achter hem ligt. En iedereen is verder gegaan.”

Het niet los kunnen laten van specifieke herinneringen omdat je ze nog niet uitgewerkt hebt, kan dat ook een blok aan het been van een auteur zijn?

„Ik denk niet dat ik een dusdanig realistische schrijver ben dat ik er op vertrouw dat ik door iets goed te onthouden tot de kern van een tijd kom. Ik moet terugdenken aan een bepaald moment en dat emotioneren, een gevoel oproepen. Ik moet niet proberen om iets exact te reconstrueren.”

Omdat realisme niet bestaat?

„Je denkt als schrijver dat je iets heel precies benoemt, maar op het moment dat je het opschrijft is het taal geworden, en daarmee vloeibaar, het krijgt in het hoofd van een lezer een heel andere invulling.”

De roman staat wel bol van merken, liedjes en gewoontes die de BRD oproepen.

„En toch heb ik daar geen enkel naslagwerk over opengeslagen. Als ik feiten over de Tweede Wereldoorlog op wilde nemen moest ik wel eens wat opzoeken, maar wat de BRD in de jaren zestig en zeventig fabriceerde, wat er allemaal aan snoepgoed en andere producten op de markt was, dat had ik blijkbaar onthouden. Het is moeilijk accuraat te zijn over een tijd en de mensen die er in rondlopen, maar dat er zoiets nieuws was als frotté, een soort badstof waar ze sokken van maakten, daar valt niet aan te tornen.”

Frank Witzel: Hoe een manisch-depressieve tiener in de zomer van 1969 de Rote Armee Fraktion bedacht. Vert. Josephine Rijnaarts & Ard Posthuma, Lebowski, 876 blz. € 29,99