De verknalmarge

Deckwitz, Ellen 10-2015 01

Ik woon om de hoek bij de verslavingsopvang waardoor er op het pleintje voor mijn huis regelmatig junkies zitten, handtam dankzij hun dagelijkse dosis methadon. Mijn neefjes van acht en bijna elf zijn er inmiddels aan gewend, maar toch worden ze nerveus als er weer eens eentje voor dood op een bankje ligt. Ze porren zo’n verslaafde dan met een stokje, tot die zegt dat ze moeten optiefen. Mijn neefjes zijn dan blij („Het leeft!”) maar ook een beetje teleurgesteld, want ze willen nog steeds eens 112 bellen. Gelukkig overheerst doorgaans de empathie.

„Ik vind het zielig”, zegt de jongste. „Waarom helpt niemand hen?”

Ik wil zeggen dat ze wórden geholpen, dat de GGD hun gratis medicatie en opvang verstrekt. Maar dat maakt de situatie niet minder uitzichtloos. Een van de medewerkers van de kliniek vertelde me tijdens zijn rookpauze dat het aantal patiënten de laatste jaren weliswaar afneemt doordat er geen nieuwe heroïneverslaafden meer bijkomen, maar dat er in Nederland toch nog steeds zo’n negenduizend mensen verslaafd zijn aan de opiaten.

„Ik snap niet dat je aan de drugs wilt”, zegt mijn jongste neefje dan. „Het leven is toch al superleuk?” Het leven van mijn neefjes wel. Ze zijn slim, knap en worden omringd door mensen die hen elke dag knuffelen en vertellen hoe gaaf ze zijn. Soms maakt het me bang, de portie startkapitaal die je nodig hebt om heelhuids door het bestaan te kunnen: een stabiel thuisfront, een goede gezondheid en het geluk dat je opvoeders over genoeg materieel beschikken om aan je basisbehoeften te kunnen voldoen.

En oja, je moet ook nog eens het juiste lot trekken in de neurochemische tombola zodat je geen enge afwijkingen als depressie of verslavingsgevoeligheid hebt. Soms voelt het, door het bestaan van opvangcentra die de hopeloze gevallen bijstaan, een beetje alsof de samenleving ermee akkoord gaat dat er altijd mensen zijn die buiten de boot zullen vallen. Zolang de maatschappij over het algemeen goed functioneert, gaan we akkoord met een zekere verknalmarge.

Een van de verslaafden, een vrouw wier gezicht door de drugs zo verweerd was dat je met geen mogelijkheid kon zeggen hoe oud ze was, zat de laatste weken vaak alleen op het pleintje. Als ze niet apathisch voor zich uit staarde, borduurde ze, met een behendigheid die een goede opvoeding verraadde. Ik kon me alleen maar afvragen hoe het met haar zo ver had kunnen komen. Zaterdag pakte ik mijn toneelkijker erbij om te zien wat ze nou eigenlijk aan het borduren was. Op een vuilgruize lap stikte ze met gelijkmatige steken prachtige, volle klaprozen. Ik weet niet of ik daar ooit nog van kan herstellen.

Ellen Deckwitz heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.