Mensen in de Steentijd zaten er warmpjes bij, op een pels van de holenleeuw

In de Steentijd maakten mensen soms pelzen van holenleeuwen. Dat schreven Spaanse archeologen woensdag in PLOS ONE. Het team vond negen teenkootjes van een holenleeuw in een Spaanse grot. Volgens de onderzoekers zijn die kootjes het overblijfsel van een pels waar de poten nog aan zaten.

De holenleeuw (Panthera spelaea) was een Europese leeuwensoort die uitstierf aan het einde van IJstijd. Het dier was even groot als de Afrikaanse leeuw, soms iets groter.

De leeuwenkootjes lagen in een lage grot in Cantabrië, in het noorden van Spanje. Het was al bekend dat mensen deze grot gebruikten. Op het plafond staan gravures van herten en paarden en in een hoek van de grot ligt een aangelegde kring van keien. De meeste kootjes lagen bij elkaar aan de rand van deze ring. Daarom denken de onderzoekers dat de tenen deel uitmaakten van een pels. De pels werd waarschijnlijk gebruikt om de vloer of keien te bedekken, of misschien was de pels als afdekking opgehangen.

Koolstofdatering wees uit dat de teenkootjes ongeveer 14.000 jaar oud zijn. De mensen in het noorden van Spanje behoorden toen tot de cultuur van het Magdalénien. Magdaleniërs waren steppejagers die op groot wild joegen met geavanceerd wapentuig, zoals harpoenen, pijlen met vuurstenen punten en atlatls.

In de grot lagen negen teenkootjes, maar leeuwen hebben achttien tenen: waar zijn de andere negen? Mogelijk waren de achterpoten geen onderdeel van de pels, en is er een kootje kwijtgeraakt.

Op elk teenkootje zaten snijsporen aan de basis. De onderzoekers merken op dat dierenartsen die in de VS een kat ‘ontklauwen’ op dezelfde plek snijden (ontklauwen is verboden in Nederland).

De holenleeuw moet een gevaarlijke prooi zijn geweest. De archeologen denken dat de leeuw een mythisch symbool van kracht moet zijn geweest voor Magdaleniërs. Misschien was de pels wel onderdeel van een ritueel. Maar het bewijs daarvoor ontbreekt.