Column

Ongerust Amsterdam

Langs de Nassaukade, een drukke straat in Amsterdam-West, riep een boze man naar zijn vrouw: „Moet je nou eens kijken! Zulke lui zouden toch beboet moeten worden?” Hij wees op een aantal kartonnen dozen die naast de vuilniscontainer waren opgestapeld. Iemand had niet de moeite genomen ze naar een papiercontainer te brengen.

Het was zondagmorgen. Ik liep door en zag in een zijstraat een grote container die omgeven was door afgedankte huisraad, van stoelen en een matras tot een zitbank. Terwijl ik de verzameling geïmponeerd stond te bekijken, kwamen twee mannen een grote leren zitbank erbij dumpen. „Morgen wordt het afgehaald”, zeiden ze tegen mij, alsof ze zich wilden verontschuldigen.

Amsterdam vervuilt zienderogen en de burgers moeten dit niet alleen hun gemeente, maar ook zichzelf aanrekenen. Rond ondergrondse containers stapelt zich allerlei vuilnis op dat daar niet thuishoort. Plastic vuilniszakken worden, dagen voordat de ophaaldienst verschijnt, aan de straat gezet. Duiven, meeuwen en ratten scheuren de zakken open en verspreiden de inhoud.

Ik moet nu denken aan strafrechtadvocaat Oscar Hammerstein, die kantoor houdt op de Herengracht (‘de Gouden Bocht’), en sinds kort zijn buren per brief aanspreekt op hun gedrag. Wie zijn vuilnis te vroeg buitenzet, kan verwachten dat Hammerstein melding maakt bij de gemeente of naar de rechter stapt om „u op straffe van een dwangsom aan de regels te houden”. Het werkt, heeft Hammerstein gemerkt. Hij heeft een standaardbrief opgesteld met zijn handtekening, die iedereen kan downloaden om aan zijn vervuilende buren te geven.

Tegen Het Parool zei Hammerstein dat er iets moet veranderen. „We leven in een desintegrerende samenleving. Dat mensen hun vuilnis op straat gooien en het ze niets kan schelen, dat is ook hoe we met vluchtelingen omgaan, hoe we met elkaar omgaan.”

Een dag later werd in deze Amsterdamse krant geklaagd over de drukte bij de coffeeshops; ze kunnen het massale bezoek niet meer aan, waardoor rijen voor de winkels ontstaan en klanten noodgedwongen op straat blowen.

Aan dergelijke klachten is te merken dat ook de mildere Amsterdammers, degenen die zich altijd meegaand hebben opgesteld, ongerust zijn geworden. Dat heeft ook te maken met het oprukkende toerisme in de binnenstad.

Burgemeester Van der Laan vertelde onlangs dat hij over die overlast de meeste brieven krijgt. Ook Arre Zuurmond, de gemeentelijke ombudsman, sloeg alarm toen hij een weekendje uitgaansoverlast bij het Leidseplein had meegemaakt. Hij liet weten dat de overheid de inwoners in de kou laat staan: er wordt onvoldoende gehandhaafd. „Een dreigende ramp voor de stad”, schreef hij.

De gemeenteraad heeft de situatie lang onderschat, maar Van der Laan zegt nu ook: „Het is een paar minuten voor twaalf” en „We hebben met zijn allen een groot probleem.” Tijd voor fundamentele maatregelen, vindt hij. Hij stelt voor: minder hotels, betere toeristen (via de toeristenbelasting voor hotels), strengere aanpak Airbnb, betere winkels. Dé oplossing zit daar nog niet bij, vindt Van der Laan ook zelf, maar er wordt in ieder geval aan gewerkt.

Er is consensus ontstaan: Amsterdam moet geen Venetië worden, Amsterdam moet Amsterdam blijven - voor zover dat nog kan, moet ik er dan wel aan toevoegen.