De destructieve brieven van Arnon

Illustratie Paul van der Steen

‘Ik maak vaak veel kapot met mijn brieven’, schrijft Arnon Grunberg op 29 januari 1993 aan Hanne Lijesen, een vrouw op wie hij dan stapelverliefd is. De zin vat eigenlijk uitstekend samen wat hij tussen 1988 en 1994 deed in zijn brieven. Ze zijn nu deels verzameld door Vic van de Reijt in Aan nederlagen geen gebrek. Zoals zo vaak met brieven: ze vormen ook hier een ideale bron voor een literatuurgeschiedenis in wording.

Bij Grunberg (1971) zijn de brieven enerzijds een portret van een schrijverschap in wording, anderzijds vormen ze een blauwdruk van destructie, waarbij je je als lezer afvraagt: wanneer legt de pose het af tegen de wanhoop? Want als één ding duidelijk naar voren komt: het zijn, naar je mag hopen, niet de gelukkigste jaren in het leven van Grunberg.

Hoe het er in de eerste jaren van de schrijver in wording aan toeging, is redelijk bekend: hij verliet op zijn 17de de middelbare school, wilde acteur worden, speelde in en werkte aan toneelstukken, begon een productiemaatschappij die zijn toneelstukken financierde, werd uitgever van onder meer zijn eigen prozagedicht De Machiavellist, maar ook van ‘niet-Arische’ literatuur en hij werkte als jongste bediende bij een adresboekenuitgeverij. Al met al behoorlijk verdienstelijk voor iemand tussen de 17 en 23, maar erg veel leverde het niet op.

De productiemaatschappij lijdt verlies, Grunbergs werk in eigen beheer verkoopt niet en in 1992 heeft hij het over een schuld van 20.000 gulden bij uitgeverij Thieme. De bedelbrieven om voorschotten en kleine klusjes zijn talrijk en bieden soms uitkomst, maar over het algemeen blijven de problemen onveranderd. De financiële zorgen veroorzaken geen twijfel aan eigen kunnen, en ook zijn drankgebruik blijft hetzelfde.

Het destructieve zit echter niet in de financiën, maar veeleer in de voortdurende hang naar aandacht en bevestiging (die hij krijgt nadat Blauwe maandagen is verschenen). Persberichten worden opgeblazen, eigen uitgaven worden als succes gepresenteerd en in interviews pocht Grunberg over de professionaliteit van zijn productiemaatschappij. Hier overschreeuwt iemand zich die tegelijkertijd zijn eigen schrijfsels als ‘afscheidingen van een ziekte’ neerzet en als een stalker achter vrouwen aanloopt. Om meisjes te versieren schrijft hij opvallend genoeg over zijn panische aanvallen, zijn zweethanden en gesprongen lippen. Of hij geeft alvast een necrologie van zichzelf: ‘Hij gold als een bijzonder oorspronkelijk en krachtig, maar destructief talent.’

Zijn moeder, die in die tijd vaak voor zijn secretaresse speelde en hem hielp met brieven aan Duitse uitgevers, moet af en toe gek zijn geweest van bezorgdheid. Somberheid en angstaanvallen wisselen elkaar af. In een brief aan acteur en regisseur Kees Hulst schrijft Grunberg: ‘Weet u, ik vind het leven namelijk uiteindelijk toch gewoon niet te doen. Ik ben niet de enige, dat weet ik, het is geen opzienbarende mededeling, maar ik wilde het u wel even zeggen, ik vind het echt niet te doen.’

Ronduit vernederend

Schrijven om het leven te kneden, dat is wat Grunberg zijn brievenlezers voorhoudt. Wie zelf als opkomend artiest vraagtekens bij het leven plaatst of met ‘weinig opzienbarende mededelingen’ komt, wordt echter hard afgestraft. Van de opmerkingen aan dichter Esther Krop lusten de spreekwoordelijke honden geen brood. Ronduit vernederend is het commentaar dat hij bij haar ‘gratuite’ opmerkingen plaatst, om daar dan rustig aan toe te voegen dat ze nu niet de ‘beledigde leverworst’ moet gaan spelen.

Dat Esther Krop zich de beledigingen liet welgevallen – en zelf in 2011 besloot tot de bundeling ervan – lijkt van een behoorlijke zelfhaat te getuigen.

Hoewel Grunberg van veel vrouwen houdt en zijn bewondering uitvoerig opschrijft – soms schrijft hij ze drie lange brieven op één dag – weet hij ook de meest idiote vergelijkingen te trekken. Over Mariëtte Ciggaar, een studente theaterwetenschappen en serveerster, merkt hij op ze een ‘muze is waarvan de houdbaarheidsdatum reeds is verstreken’. Elders waarschuwt hij iemand voor haar: ‘Ze is mooi. Maar pas op. Ik schreef haar in juni 1992: „Je bent het mooiste meisje van Amsterdam, maar je hebt de gevoeligheid van een koffiemachine.” Ze heeft de gevoeligheid van een koffiemachine. Meisjes die de gevoeligheid hebben van een koffiemachine zullen nooit van je houden.’

Wat mensen elkaar aandoen

Die zoektocht naar liefde – een obsessieve liefde van hem vertrekt naar India, anderen reageren niet meer op zijn brieven – vormt tegelijkertijd zijn houding als schrijver. Aan Esther Krop en theaterregisseur Jan Ritsema maakt hij duidelijk hoe het niet moet: geen semi-diepzinnigheid en filosofietjes in versvorm of nadrukkelijk engagement met hongerende kindertjes in Somalië, of verhalen over kampen. ‘Veel meer nog dan expliciet in kampen, vervolging en massamoord ben ik geïnteresseerd in wat mensen zichzelf aandoen en elkaar aandoen.’ Dat onderzoek naar de naaste wordt in bijna alle brieven gepraktiseerd en zal de kern van zijn hele oeuvre vormen.

Typerend is zijn reactie aan Jessica Durlacher wanneer zij hem vraagt een bijdrage te leveren aan de bundel De olifant & het joodse probleem. Aan zijn toekomstig uitgever Vic van de Reijt schrijft hij: ‘Ik heb haar geschreven dat ik niet wist hoe het voelde om die voorhuid wél te hebben, maar dat ik in de Volkskrant las dat besneden mannen 25% minder voelen. 25%. Ik heb haar meteen uitgelegd dat dat de reden is dat ik het 25% vaker probeer te doen. Vaker dan wie zal ze zich nu wel afvragen. Dat is ook de bedoeling.’

Een serieuzer verhaal volgt, hij levert daadwerkelijk iets in, omdat het 800 gulden oplevert. Durlacher bedankt hem en schrijft dat het verhaal afstandelijker is dan de overige verhalen in de bundel. Grunberg schrijft haar een lange brief terug. ‘In het leven afstand bewaren kan een kwestie zijn van jezelf beschermen. Ik voel een zekere afstand tot de mensen die ik om me heen zie, maar ik kan ook naar mezelf kijken met een zekere afstand’. Het is het ideale recept gebleken voor een succesvol schrijverschap en waarschijnlijk ook de methode voor de twintiger die bij anderen façades wilde afbreken om ze bij zichzelf steeds hoger op te bouwen.

Het boek ligt op 1 november in de winkel. Grunberg & Vic van de Reijt treden vrijdag 4/11 op bij Crossing Border.