Recensie

De bedoelingen waren goed in Veenhuizen

Aardappelbrood. Dat aten de ‘weezen, vondelingen en verlaten kinderen’ in de kinderkolonie van Veenhuizen (Drenthe). Je maakte het zo: eerst de aardappelen ‘zuiver wasschen’, om ze daarna te raspen ‘met een zware rasp, door middel van eenen paardenmolen bewogen.’ Het geraspte ‘terstond persen’ en als het droog is, vermengen met rogge. De verhouding: drie mud aardappelen op één mud rogge.

De wederwaardigheden van dit bijzondere brood vormen een rode lijn in De kinderkolonie, het derde boek van Wil Schackmann (1951) over een bijzonder moment in de Nederlandse geschiedenis: het idee, in het begin van de negentiende eeuw, om arme gezinnen, bedelaars en wezen naar het woeste, lege Drenthe te sturen. Als ze daar gingen werken in ‘de landbouwkoloniën’ (Frederiksoord, Willemsoord, Wilhelminaoord) sloeg het Rijk drie vliegen in één klap: armoede werd bestreden, heidegrond ontgonnen, paupers opgevoed.

De kolonie Veenhuizen, drie gebouwen met slaapzalen van 4,7 bij 30 meter voor steeds 80 kinderen, huisvestte tussen 1824 en 1859 in totaal zo’n 8.600 wezen, op het hoogtepunt zaten er ruim 2.000. Zij werkten voor de kost, en leerden al doende voor landarbeider, dienstmeid of, vanaf het moment dat Veenhuizen een stoomspinnerij kreeg, voor fabriekswerker.

Goede bedoelingen, zou je kunnen denken, en zo begon het plan ook. Maar aan de samenstelling van het aardappelbrood, een uitvinding van Johannes van den Bosch van de Maatschappij van Weldadigheid, valt ook de neergang van Veenhuizen af te lezen. Zo constateert een inspecteur al in 1829 dat voor het brood gebruik wordt gemaakt van de goedkoopste en slechtste soort aardappelen. Zolang de kinderkolonie bestaat is er kritiek op geur, kleur, smaak (‘een zeer fies en walgelijke spijze’) en samenstelling. ‘Was dat wel brood? Wat waren dat voor stukken die zich erin bevonden?’ schreef een wees later.

Maar de bedoelingen waren dus goed. En er lag een waterdicht plan, althans in theorie. Die theorie was dat de kinderen die naar Veenhuizen zouden komen, gezond waren en konden werken. Dan zou de verhouding kosten en opbrengsten kloppen – en die was uiterst precies berekend. Om bij het eten te blijven: zeventig cent per week voor een ouder kind, minder voor jongere kinderen, waar afgemeten hoeveelheden bij hoorden (een kwart pond gepelde gerst, zes lood – ca. 10 gram – vlees, één lood selderij, enzovoort). Net zo precies was uitgerekend wat de kleren mochten kosten, of hoeveel land in cultuur moest worden gebracht om al die kinderen te voeden. Alles klopte tot achter de komma, op den duur moest de kinderkolonie zelfs zelfvoorzienend kunnen worden. Met dit soort rekensommen vond Johannes van den Bosch, die het later zou schoppen tot gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië en minister, een gewillig oor bij koning Willem I. Die zag in het plan een manier om te bezuinigen op de uitgaven voor weeshuizen, en dat geld te gebruiken voor de opbouw van de economie.

Maar de 200 tot 250 weeshuizen die Nederland telde, voelden weinig voor het plan. Niet dat het daar zo goed ging, de sterftecijfers waren hoog, de voeding was slecht en er waren misstanden, maar de plaatselijke bevolking was vrijwel altijd trots op de eigen liefdadigheid. De wezen hoorden thuis in de stad waar ze waren geboren, vond men, niet in een ver, desolaat oord als Veenhuizen, in die tijd twee à drie dagen gaans vanuit de Randstad.

Ze stuurden hun wezen dus niet. Of ze stuurden er een paar. En het liefst stuurden ze wezen waar ze vanaf wilden: de onhandelbaren, de lastposten, de wezen met gebreken. Al in 1827 tekende adjunct-directeur Jannes Poelman op dat van de dan aanwezige 1.142 wezen er 579 niet kunnen werken omdat ze ‘wegens hunne jonge jaren of ligchaamsgebreken geheel onbekwaam zijn tot eenigen arbeid.’

En al die tijd was er de kritiek. Er zou in Veenhuizen te weinig worden gedaan aan godsdienstonderricht, en trouwens ook aan gewoon onderwijs, personeel bestond deels uit oud-militairen, die de kinderen sloegen, er was veel ziekte en sterfte, het was er in de winter niet warm genoeg, de kleren waren van onvoldoende kwaliteit. Terecht of niet, ook in de gewone weeshuizen was van alles aan de hand, de kritiek nam in de loop van de tijd alleen maar toe.

Het einde kwam in zicht toen Willem I in 1840 terugtrad. Tot die tijd had de koning regelmatig bijgelapt, als het Veenhuizen weer niet lukte de tegenvallende inkomsten uit arbeid en de uitgaven aan verzorging op elkaar af te stemmen. Uiteindelijk werd Veenhuizen overgenomen door het Rijk en later omgevormd tot gevangenis.

In zijn nawoord schrijft Schackmann dat hij opzag tegen het schrijven van dit derde boek – eerder schreef hij over Frederiksoord en de Ommerschans (de kolonie voor bedelaars). ‘Er zouden enorme stapels handgeschreven stukken, waar sinds bijna tweehonderd jaar niemand naar omgekeken had, doorgewroet moeten worden.’ Gelukkig heeft hij dat wel gedaan: De kinderkolonie vertelt beeldend en trefzeker een verhaal van goede bedoelingen, onverdiende tegenwerking en ja, ook van onkunde en onvermogen. En het leest als een pageturner.