Recensie

Wetenschap als bewegend beeld

Filmrecensies Op 2 november begint in LUX Nijmegen de tweede editie van het InScience – Dutch International Film Festival. Vertoond worden de beste wetenschapsfilms uit binnen- en buitenland. De redactie wetenschap bespreekt hieronder een keuze uit het aanbod.

©

Personages worstelen met wetenschappelijke integriteit

On being a scientist, een speelfilm van Gosja Klivtonne, 2016. Do. 3 en zo. 6 november.

De beroemde moleculair bioloog Nicholas Ponter is in gewetensnood. De zelfingenomen wetenschapper is net terug aan zijn alma mater, de Universiteit Leiden, en voor een volle zaal krijgt hij een pijnlijke vraag van zijn voormalige medewerker Pierre Descartin: had Ponter de vinding waaraan hij zijn reputatie en een grote prijs dankt, echt zelf gedaan?

Deze film gaat over wetenschappelijke integriteit, een actueel thema sinds spraakmakende fraudes in binnen-en buitenland.

De verwikkelingen tussen de vier hoofdpersonen – naast Ponter en Descartin zijn dat Ponters dochter Sophie en de talentvolle studente Rebecca – roepen allerlei goede vragen op. Is een vinding het werk van een individu, of van een team? In hoeverre mag je data ‘masseren’? Is de aandacht voor twijfelachtige bibliometrische maatstaven, zoals de h-index en de impact factor, niet doorgeschoten?

Ponter botst met zijn dochter Sophie, een filosofe die vastzit met haar onderzoek. Zij raakt bevriend met Rebecca, een student van haar vader. Maar Sophie is ook jaloers op Rebecca, omdat zij zo’n briljant onderzoeker is. Rebecca krijgt een verhouding met Descartin, die Ponter blijft confronteren met het verleden.

Realistisch? Feit is dat wetenschappelijke carrières steeds meer afhangen van publicaties in toptijdschriften. En dat deze perverse prikkel het gedrag van onderzoekers beïnvloedt. In de film zien we dit het duidelijkst aan Ponter, bij wie de twijfel steeds harder knaagt.

‘Verwoesting van erfgoed en genocide gaan hand in hand’

The Destruction of Memory, een documentaire van Tim Slade, 2016. Do. 3 en za. 5 november.

Op 25 juli 2014 blazen militanten van Islamitische Staat in de Irakese stad Mosul de eeuwenoude graftombe van Jona op. Een jaar later gaat in de antieke Syrische stad Palmyra de tempel van Bel de lucht in, onder gejuich van IS-mannen. Een Syrische historicus vraagt zich hardop af hoe het mogelijk is dat ‘deze bouwwerken, nadat ze eeuwen van natuurgeweld en verwering hebben doorstaan, in de 21ste eeuw opzettelijk worden vernietigd.’

De documentaire van Tim Slade geeft antwoord op die klemmende vraag. In deze oorlogen, zegt hij, worden historische gebouwen niet opgeblazen omdat ze het zicht op een militair doelwit benemen; ze zijn zélf doelwit. Verwoesting van cultureel erfgoed is een oorlogswapen dat de identiteit van ‘anderen’ moet vernietigen. De sporen van hun geschiedenis, de bewijzen voor hun bestaan als gemeenschap moeten worden uitgewist.

Een dergelijke vorm van oorlogvoering begon niet met IS, laat Slade zien. Nadat de Turken in 1915 een miljoen Armeniërs hadden gedeporteerd en vermoord, verwoestten ze hun kerken. Nazi’s staken in de Kristallnacht (1938) honderden synagogen in brand. En in 1993 verwoestten Kroatische milities de Ottomaanse brug van Mostar, een icoon van islamitisch Bosnië. Waarom?

Slade ontrukt een pionier aan de vergetelheid. De Pools-joodse jurist Raphael Lemkin (1900-1959), diep verontrust door de Armeense moordpartijen, adviseerde de Volkenbond in 1933 om twee soorten misdaden te vervolgen: ‘barbarij’ (massaal geweld tegen groepen) en ‘vandalisme’ (geweld tegen cultuurgoed). Hij meende dat die twee nauw samenhangen. Met erfgoedvernietiging ontneem je een groep zijn culturele geheugen en daarmee zijn identiteit. En dat, zei Lemkin, is een opmaat voor uitroeiing.

In de Conventie over Genocide die de VN in 1948 aannamen, is de culturele dimensie uit Lemkins ontwerptekst geschrapt. Wel werd in de Haagse Conventie van 1954 erfgoedvernietiging tijdens gewapende conflicten een misdrijf.

Van zichzelf vouwende robot tot vouwen in de hersenschors

The Origami Code, een documentaire van Francois-Xavier Vives, 2015. Do 3, vr. 4 en za. 5 november.

Als er nog wetenschapsgebieden zijn waarin niet gevouwen wordt, dan moet dat wel inferieur onderzoek zijn – dat is het gevoel waarmee The Origami Code je achterlaat. Onterecht? Vast, maar deze documentaire is nu eenmaal pure reclame voor vouwen in de wetenschap.

Wat er allemaal niet gebeurt op vouwgebied! In nog geen uur leidt de film je langs zichzelf vouwende robotjes, opgevouwen kevervleugels onder dekschildjes, de vouwen in de menselijke neocortex, gevouwen stents die zich in de kransslagaders van hartpatiënten moeten verwijden, een honderden vierkante meters groot scherm van zonnepanelen dat zich in de ruimte moet ontvouwen, allerlei origamikunst en -design en nog heel veel meer.

De ingewikkelde vouwpatronen (kunstmatig én natuurlijk) zijn steeds prachtig om te zien; het computerprogramma waarmee de Amerikaanse natuurkundige Robert Lang elk dier kan vouwen dat hij wil, is briljant – die spin, compleet met kaken! Maar wat jammer dat de film nergens even wat dieper op ingaat. Zo blijft dat gevouwen model van de donkere materie in het heelal nogal duister. Na afloop wil je nog veel meer weten over al die manieren waarop origami kan helpen om wetenschappelijke problemen op te lossen en vice versa. Dat hebben de makers dan wel weer goed voor elkaar.

Zondag 6 november wordt deze documentaire ook uitgezonden op tv, 19.15 uur, NPO 2.

Hoe leerlingen van Friedman Chili hardhandig hervormden

Chicago Boys, een documentaire van Rafael Valdeavellano, 2015. Do. 3 en zo. 6 november.

Terwijl straaljagers in september 1973 het presidentiële paleis van Chili bombardeerden tijdens de bloedige staatsgreep, legde een couppleger een document van zestig pagina’s op de stencilmachine. Het ging om een radicaal hervormingsplan voor de Chileense economie, dat verspreid werd onder de getrouwen van de nieuwe machthebber, generaal Pinochet.

Toen het plan kort erop werd verwezenlijkt, veranderde de stagnerende staatseconomie snel in een florerende markteconomie. De makers van het plan – El ladrillo (de ‘baksteen’) genoemd – waren economen van de universiteit van Chili. Ze waren opgeleid aan de universiteit van Chicago, waar de welbespraakte econoom Milton Friedman zijn radicale theorie over de vrije markt doceerde, en dankten daaraan hun bijnaam ‘Chicago boys’.

Zelden zullen wetenschappers zo snel zoveel invloed hebben gehad op een samenleving als deze ‘boys’, die hun plan veelal zelf uitvoerden als minister onder de militaire junta. Hoe ze dat voor elkaar kregen, toont de Chileense documentaire Chicago Boys. Daarin spreken de hoofdrolspelers van toen onbekommerd en zelfs trots over hun succes.

Begin jaren zeventig was Chili onder de socialistische president Allende zo tot chaos vervallen, dat de gegoede burgerij het leger smeekte om in te grijpen. De legertop wilde dat alleen doen als er een economisch plan zou klaarliggen. Een Chicago boy deed daarvoor een beroep op de andere boys, die ernaar snakten hun ideeën in de praktijk te brengen.

„Ik had geen idee dat dit plan voor de coup zou worden gebruikt”, zegt Sergio de Castro, die na de coup minister werd onder Pinochet. Evenmin zegt hij iets te hebben geweten van de talrijke mensenrechtenschendingen. Die schendingen waren volgens hem onnodig, maar de hardhandige hervorming van de economie was dat wel. De uitspraak is typerend voor de manier waarop Chicago Boys de economen toont: als gewetenloze en gevoelloze technocraten.