Commentaar

Vrijhandel kan zonder extra investeringsbescherming

Nu het Waalse herfstoffensiefje is afgeslagen, lijkt het er toch van te gaan komen: het Comprehensive Economic and Trade Agreement (Ceta) tussen de Europese Unie en Canada. Donderdag bleken bescheiden tegemoetkomingen aan de Waalse deelregering voldoende om alsnog tot ondertekening over te gaan. De handel tussen de EU en Canada kan er van gaan profiteren.

De weerstand tegen het handelsverdrag kent in wezen drie componenten. Ceta ruimt de allerlaatste obstakels op in een handelsverhouding die toch al weinig belemmeringen meer kende. En juist die laatste hindernissen zijn vaak extra pijnlijk, en roepen weerstand op. De meest beschermde bedrijfstakken zijn er aan onderhevig, zoals de landbouw. Landbouw en in het verlengde daarvan vooral voedselveiligheid liggen, terecht, gevoelig bij het publiek.

Dat geldt in steeds grotere mate ook voor de ingebouwde investeringsbescherming, waarbij ondernemingen via een speciale arbitrage verhaal kunnen halen tegen veranderingen in de wet- en regelgeving die hen benadelen. Ook al is deze bescherming in het uiteindelijke Ceta-akkoord licht afgezwakt, de vraag blijft waarom niet het gewone juridische pad kan worden bewandeld. Als ontwikkelde, Westerse, landen elkaars rechtsstaat kennelijk niet afdoende vertrouwen dan is er wat mis met de onderlinge verstandhouding. Een arbitrage die oorspronkelijk bedoeld was om verhaal te kunnen halen in jonge ontwikkelingslanden met een onzeker rechtssysteem, hoeft niet per se van toepassing te zijn op de betrekkingen tussen Westerse landen onderling.

De derde reden voor de weerstand is ernstiger. We leven in een tijd waarin de burger in toenemende mate argwanend staat tegenover globalisering en zijn grip op het tempo daarvan kwijt is. De langdurige periode van crisis en lage economische groei sinds de Lehman-crisis van 2008 heeft het geloof in een ongeremd kapitalisme aangetast. Handel brengt welvaart, maar de gevolgen zijn niet voor iedereen positief. Dat is te weinig uitgelegd en met de negatieve consequenties is te weinig rekening gehouden. De weerstand tegen Ceta is daar een exponent van.

De handel tussen de EU en Canada is relatief gering. Een soortgelijk handelsverdrag met de Verenigde Staten, het Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP) zal een veel grotere invloed hebben – de handel met de VS is zo’n factor tien omvangrijker dan die met Canada.

Ceta is in die zin op te vatten als een proeftuin voor het slagen van TTIP. Dat het verdrag met de Canadezen getekend lijkt te kunnen worden moet nog niet worden beschouwd als een blijk van slagen. Bij de ratificatie door de lidstaten kan alsnog weerstand blijken, zeker waar het de investeringsbescherming betreft. Omdat de VS er op staan dat deze in TTIP wordt gehandhaafd, is de toekomst van dat verdrag nog steeds hoogst onzeker.

Ceta kan de Europeanen over een aantal jaren wél laten zien dat handel per saldo positief kan zijn. In dat verband kan worden opgeworpen hoe belangrijk de investeringsbescherming middels arbitrage nu werkelijk is. Als het laten varen van deze clausule kan bijdragen aan een volledige vrijhandelszone in het Atlantische gebied, dan zou overwogen moeten worden de investeringsbescherming te laten vallen. Dit zijn tijden waarin Westerse landen sterkere onderlinge banden nodig hebben, in plaats van verwijdering. Vertrouwen in elkaars rechtsstaat zou daarbij geen extra waarborgen nodig moeten hebben.