Cultuur

Interview

Interview

Foto Lars van den Brink

‘Vrije markt eindigt in de ondergang’

Interview Bas van Bavel De geschiedenis leerde hem: de vrijemarkteconomie ging na een periode van welvaart steevast ten onder. De onze zal het ook zo vergaan, voorziet hij. „Als de markt dominant wordt, ontstaat een race to the bottom.”

Van de naoorlogse westerse samenleving, met relatief grote gelijkheid tussen bevolkingsgroepen, zal weinig overblijven. Binnen enkele decennia zal een groot deel van de bevolking haar politieke en economische vrijheid kwijtraken. Hij zegt het met een grote glimlach, maar Bas van Bavel, hoogleraar economische geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, is bloedserieus. In zijn recentelijk verschenen boek The Invisible Hand? betoogt hij dat maatschappijen die de vrijemarkteconomie omarmen op de lange duur geen ongebreidelde welvaartsgroei tegemoetzien, maar eindigen in een scherpe tweedeling, met de ondergang tot gevolg.

De onderzoeksgroep waaraan Van Bavel leiding geeft, werkte vijf jaar lang met zes man aan verschillende deelonderzoeken met als eindresultaat dit boek, waarin de economieën van Irak in de zesde tot de elfde eeuw, van Italië in de elfde tot de zestiende eeuw en van De Lage Landen in de dertiende tot de achttiende eeuw worden geanalyseerd. Dit zijn volgens Van Bavel de meest pregnante voorbeelden van de weinige echte markteconomieën die er zijn geweest. Uit het onderzoek blijkt dat de welvaartsontwikkeling van deze gebieden steeds een vergelijkbaar cyclisch patroon volgt. Van Bavel doet in zijn boek ook voorspellingen voor de huidige westerse economie. En die zijn somber.

Kapitalisme-bashing is sinds de kredietcrisis erg populair, maar nog niet toen u in 2007 uw onderzoek begon. Waarom bent u er destijds mee begonnen?

„Wij leven in een tijd waarin voetstoots wordt aangenomen dat de markt het enige legitieme mechanisme is om de economie te ordenen. Er heerst een geloof dat wij allemaal op weg zijn naar een eindbestemming, de moderne samenleving, waarin wij in vrijheid leven en waarin de vrije markt economische groei en welvaart brengt. Maar aan die overtuiging lag helemaal geen wetenschappelijk bewijs ten grondslag. We wisten volstrekt niet of die vrije markt in het verleden wel welvaart en voorspoed had gebracht.”

Hoe bepaal je wat in het verleden een vrijemarkteconomie was? Er is nogal wat veranderd in de loop der eeuwen.

„Dat hebben we heel scherp gedefinieerd. Bepalend is niet of de eindproducten vrij verhandelbaar zijn, want dat is in heel veel samenlevingen het geval, maar of grond, arbeid en kapitaal – zeg maar de bouwstenen van het leven – via de vrije markt uitgewisseld worden.”

Wat waren de alternatieven?

„Veel mensen denken dat alleen de staat of de markt productiefactoren kunnen verdelen, maar er zijn tal van andere instituties die deze rol kunnen vervullen en ook hebben vervuld. Denk ten eerste aan de familie. Boerenbedrijven en ondernemingen zijn vaak generaties lang overgedragen binnen de familie. Dan is de familie het instituut waarbinnen grond, kapitaalgoederen en arbeidskracht uitgewisseld worden. Daar komt geen vrije markt aan te pas. Ander voorbeeld: huishoudelijk werk en de zorg voor de kinderen werden eeuwenlang via de familie toebedeeld aan de vrouw. Vandaag de dag wordt via de vrije markt een huishoudelijke hulp gezocht en een crèche voor de kinderen. De vrouw biedt nu zelf haar arbeid aan op de markt.

„Maar je kunt in de geschiedenis aan veel meer instituties denken. Ruimer dan de familie is er de clan, de stam of de dorpsgemeenschap. Tot anderhalve eeuw geleden kende Nederland ook zogeheten marken en meentgenootschappen, waarbinnen grond via het collectief ter beschikking werd gesteld aan boeren. Denk ook eens aan corporaties en coöperaties of een gilde, waarbinnen arbeid en bezit toebedeeld of gereguleerd werden. Vooral coöperaties hebben in Nederland in de twintigste eeuw een grote rol gespeeld.”

Wat toont uw boek aan?

„Uit ons onderzoek blijkt dat die drie vrijemarkteconomieën allemaal dezelfde cyclus doormaakten. Steeds ontstaat een samenleving uit een periode van onrust en opstanden, waarna een situatie ontstaat van grote gelijkheid voor burgers, zowel in politiek opzicht als in welvaartsniveau. Door de vrijemarkteconomie stijgt in eerste instantie de welvaart verder, maar al snel ontwikkelt zich een kleine elite die meer profiteert dan de rest en die ook politieke macht verwerft. Om haar macht en invloed te behouden, schermt deze elite zich steeds verder af en begint zij dwangmiddelen toe te passen. Voor de opgepotte rijkdom vindt zij steeds minder rendabele toepassingen binnen die samenleving en het geld wordt in speculatieve beleggingen gestopt of erbuiten geïnvesteerd. Dan zet de daling van de welvaart in en raakt de maatschappij in verval.”

Hoe verliep dat proces in de Nederlandse geschiedenis?

„ In de twaalfde en dertiende eeuw waren er opstanden tegen het gezag. Boerenopstanden zoals de Kennemer Opstand en de West-Friese Opstand. Maar ook in de steden waar de gilden zich tegen de bisschoppen en de stadsadel keerden. Daarna ontstond grote gelijkheid. Nederland was in de dertiende en veertiende eeuw een van de meest egalitaire gebieden ter wereld. Heel veel mensen konden deelnemen aan de politieke besluitvorming. Weliswaar lokaal, maar van een centrale staat was nog geen sprake. Het particulier grondbezit was wijdverbreid, mede doordat de graaf van Holland kolonisten eigen grond had gegeven in de ingepolderde gebieden. Midden zestiende eeuw ontstond een kantelpunt, toen rijke stedelingen grond opkochten en en verpachtten en geld uitleenden in de vorm van krediet. Steeds meer burgers verloren hun economische zelfstandigheid en werden afhankelijk. De economische groei stagneerde, het bruto nationaal product begon te dalen. De reële lonen van arbeiders lagen eind zeventiende eeuw onder die van 1300.”

U maakt korte metten met de populaire gedachte dat de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) ons land grote welvaart bracht.

„Toen de VOC in 1602 werd opgericht bevond Nederland zich al in een neergaande fase. De VOC kreeg vanaf het begin een deel van het geweldsmonopolie van de staat toebedeeld en was uiteindelijk alleen profijtelijk door de dwang die men overzees toepaste. In mijn ogen zijn de voorlopers van de VOC, de zogenaamde partenrederijen, in de late middeleeuwen een veel beter voorbeeld van economisch succes. Dat waren samenwerkingsverbanden tussen kapiteins die hun schepen en geld inbrachten en kleine investeerders, die samenwerkten in een vennootschap of coöperatie. Maar naarmate de aandelen daarvan meer verhandelbaar werden, belandden ze bij beleggers en kregen de kapiteins steeds meer de positie van een loonarbeider, om over de positie van de bemanningsleden maar te zwijgen.”

Dus de kapitaalmarkt is weer de boosdoener?

„Ons onderzoek toont aan dat de kapitaalmarkt niet de aanjager van de economische groei is, maar juist het gevolg ervan. Er accumuleert vermogen bij een kleine elite en dat zoekt een uitweg. Dan vormt zich een markt waarop kapitaal verhandeld wordt. Maar de welvaart van de betreffende samenleving is dan al over haar hoogtepunt heen.”

U ziet parallellen met de huidige situatie in West-Europa en de VS.

„Ik bekijk modern West-Europa en Amerika als één geïntegreerd marktsysteem waarvan de ontwikkeling vroeg in de negentiende eeuw begon. Deze economieën zijn sterk verweven geraakt en worden gedomineerd door de markteconomie, aanvankelijk met positieve effecten op de groei maar inmiddels met toenemende ongelijkheid en negatieve effecten. Binnen dat systeem loopt Amerika zo’n dertig jaar voor op Europa. Dit blijkt met name uit de grote vermogensongelijkheid en de wijze waarop vermogenden politieke invloed uitoefenen.

„In de VS stagneert de koopkracht voor de laagste groepen al sinds de jaren 60. De gemiddelde koopkracht stijgt ook in Nederland al langdurig niet meer. Slechts 17 procent van de bedrijfswinsten wordt productief geherinvesteerd, het laagste niveau sinds de Tweede Wereldoorlog. Het meeste vermogen wordt gestoken in financiële markten, speculatie of beleggingen elders in de wereld. De vermogensongelijkheid heeft ondertussen een recordhoogte bereikt.”

Dat laatste klinkt als econoom Piketty.

„Dat klopt, maar wij bestuderen een veel langere periode en plaatsen de ongelijkheid die hij ziet in een groter maatschappelijk proces.”

Heeft Europa niet een veel sterkere sociale basis dan Amerika?

„Vergis je niet, de EU heeft in haar grondbeginselen opgenomen dat zij een vrijemarkteconomie zal zijn. Elke vorm van concurrentiebeperking is in principe verboden. In Nederland verdwijnen langzaam maar zeker alle alternatieve vormen van verdeling en toewijzing van grond, arbeid en kapitaal: kartels zijn verboden, de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie bestaat nauwelijks meer, woningcorporaties verkopen hun bezit op de markt, zuivel- en kredietcoöperaties openen zich voor de kapitaalmarkt, onderlinge verzekeringsmaatschappijen, familieondernemingen en grote boerenbedrijven worden overgenomen of verdwijnen. Die mix zorgde naar mijn overtuiging voor het evenwicht. Ik zeg niet dat één systeem zaligmakend is en dat de vrije markt als uitwisselingsmechanisme fout is, maar als de markt dominant wordt, gaat het mis. Dan ontstaat een race to the bottom. Het idee dat de vrije markt de welvaart brengt en de overheid die welvaart herdistribueert is onjuist, want de vrijemarkteconomie holt die welvaart op de lange termijn zelf uit.”

Dat belooft niet veel goeds.

„Ik ben van nature een optimistisch mens, maar ik denk dat we het kantelpunt al te ver voorbij zijn. Dat lag in de VS in de jaren 60 en in Europa in de jaren 90. Ik denk dat mede door dit onderzoek duidelijk wordt hoe uitzonderlijk de naoorlogse decennia in Europa zijn geweest, met historisch gezien een zeer gelijke verdeling van vermogen en politieke invloed. Onze generatie ziet die periode als een soort onwrikbaar ijkpunt en denkt dat dat de natuurlijke staat van de dingen is, maar het is juist de uitzondering.”

Is er dan helemaal niets meer te redden?

„In mijn ogen is de enige manier om de spiraal van groeiende tweedeling te doorbreken het gelijkwaardig belasten van inkomsten uit arbeid en inkomsten uit vermogen. Maar daarvoor zou weer een verstrekkende sociale omwenteling nodig zijn. Want het is naïef te verwachten dat de marktelite zou meewerken aan de afbraak van een systeem waarmee hij zijn ze haar bevoorrechte positie heeft verworven.”