Recensie

Schateren om het leven

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Betty Goudsmit-Oudkerk (1924) was een heel gewoon Amsterdams meisje dat opgroeide in een joods gezin met een bloeiende textielzaak in de Van Woustraat. Kort na haar zestiende verjaardag stortte haar wereld in als gevolg van de bezetting en de anti-joodse maatregelen. ‘We mochten steeds minder ... totdat we er niet eens meer mochten zijn’, verzucht ze in het aan haar gewijde boek Betty. Een joodse kinderverzorgster in het verzet [1]. Ze verloor haar hele familie.

Zelf belandde ze, achttien jaar oud, in het verzet. Als kinderverzorgster in de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan hielp ze Walter Süskind en Henriëtte Pimentel honderden joodse kinderen te behoeden voor deportatie. Nu is ze één van de laatste ooggetuigen van de verschrikkingen die volgens haar ‘vele malen vreselijker’ waren dan uit de film Süskind (2012) van Rudolf van den Berg blijkt.

Hoeveel gruwelijker de werkelijkheid was, vertelt ze in niets verhullende bewoordingen in haar door Esther Göbel en Henk Meulenbeld opgetekende memoires. Hoewel ze haar eigen leven op het spel zette om anderen te redden, vraagt ze zich nog steeds af of ze wel genoeg heeft gedaan. Het antwoord staat in dit uitstekend gedocumenteerde en geïllustreerde boek, dat iedereen moet lezen uit diep respect voor zoveel heldenmoed.

De Vlaamse schrijver Christophe Vekeman brengt een ode aan de countrymuziek in de persoon van Johnny Paycheck [2], alias Donald Eugene Lytle (1938-2003), minder bekend maar door Vekeman niet minder bewonderd dan andere iconen van het genre, zoals Hank Williams, George Jones, of Johnny Cash, om er enkelen te noemen die in dit boek hun opwachting maken.

Het is dan ook minder een biografie dan een, nogal opgefokte, liefdesverklaring aan de songs en artiesten die vooral in de jaren zeventig van de vorige eeuw een Amerika bezongen dat in werkelijkheid nooit heeft bestaan. Wat bestaat is de zelfkant die zij vertolken: alcohol, drugs, seksisme en blind geweld gaan in de countrymuziek samen met godsvrucht, grenzeloze weemoed en wanhoop.

Paychecks rebelse ‘Take This Job And Shove It’ (1977) is in de VS een klassieker. Vekeman toont zich een groot kenner van het genre en Johnny Paycheck bevat fraaie anekdotes. Jammer is wel dat de auteur overbodige autobiografische ervaringen invoegt, nodeloos koketteert met Witold Gombrowicz en J.-K. Huysmans en een stuiterend proza schrijft dat stilistisch nogal schatplichtig is aan Hunter S. Thompson. Voor lezers die niet zijn ingevoerd in de wereld van de countrymuziek is het gewemel van songs en zangers soms enigszins verwarrend.

Het is in april een eeuw geleden dat het debuut van dichter Paul van Ostaijen (1896-1928) verscheen: Music Hall [3]. Het was, midden in de Eerste Wereldoorlog, de aankondiging van een nieuwe poëzie. ‘Nu rinkelt schel/ De elektrische bel/ En scheurt de vrede van den avond/ Tot één rinkelende wond/ Van bange blijheid.’ De invloed die Van Ostaijen in zijn korte leven op de Nederlandstalige dichtkunst heeft uitgeoefend, de bewondering die hem als baanbreker ten deel is gevallen, is enorm.

Alle reden voor deze mooie jubileumuitgave, bezorgd en van een nawoord voorzien door Matthijs de Ridder. Deze beschrijft nauwgezet Van Ostaijens jonge jaren als flamingant en bohémien en de receptie van Music Hall [3] als uiting van een nieuwe levenshouding. ‘Music Hall laat zich lezen als een (deels ironisch) commentaar op een veranderende wereld, waarin iedereen en alles nog op zoek is naar een nieuwe vorm.’ Volgens De Ridder was Van Ostaijen in Music Hall op zijn best op de momenten waarop hij zich niet tot moderne spielerei liet verleiden en gewoon zijn dichterlijke inborst liet spreken.

Daar maakte hij de sprong van de landelijke poëzie van Guido Gezelle naar de rusteloosheid van het grotestadsleven.

Op een heel andere manier maakt Peter van Straaten poëzie van het rusteloze stadsleven. De tekenaar/schrijver is stervende, maar blijft bereid ons te laten schateren om zijn zieke grappen over babyboomers in de herfst van hun leven. Speciaal voor deze, inmiddels tot allerlei hulpstukken veroordeelde, generatie stelde zijn uitgever het piepkleine boekje Lachen met bril [4] samen. De tekeningen blijven overeind in miniformaat, maar menig vijftigplusser zal ontdekken dat een leesbril onontbeerlijk is voor de onderschriften. Soms bestaan die maar uit één woord: lul. Dan zie je een morsige man naar zijn auto sjokken, terwijl een in een laken gehulde vrouw hem boos nastaart door haar slaapkamerraam. Op de bladzij ernaast kijkt de lul (maar misschien niet dezelfde) omhoog naar een ander raam waaruit een wulpse dame hangt. Het onderschrift luidt: ‘Ben je erg dronken? Ga dan maar naar je vrouw.’