Interview

‘Misdadige leiders móeten we berechten’

Interview Fatou Bensouda

Bij het Internationaal Strafhof dreigt een uittocht van Afrikaanse landen. De hoofdaanklager reageert voor het eerst.

Fatou Bensouda, hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof in Den Haag, beleefde een moeilijke week. Na Burundi en Zuid-Afrika kondigde deze week ook haar vaderland Gambia aan het Strafhof te willen verlaten. Landen uit de Afrikaanse Unie, die vroeger graag meewerkten, zijn boos dat het hof ook leiders uit hun lidstaten wil vervolgen, onder wie de Soedanese president Bashir, en twee Keniaanse politici. Een Afrikaanse uittocht kan het fundament onder het Strafhof – als het eerste permanente tribunaal voor de berechting van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide in de wereld – wegslaan.

Toch is Bensouda, als hoofdaanklager het gezicht van het Strafhof, geen doemdenker. „Ik geloof niet dat we ons verslagen moeten voelen en dat het Strafhof morgen zal sluiten”, zei ze daags na de Gambiaanse aankondiging. „We zullen de problemen aanpakken waarmee het hof wordt geconfronteerd. We zullen verdergaan”.

Anders dan haar markante en ook omstreden voorganger Luis Moreno-Ocampo, die ze in 2012 opvolgde, toont Fatou Bensouda (55) zich een bescheiden diplomaat, geen activist met een groot ego. En, zeggen mensen in haar omgeving, ze zal ook niet natrappen. Ocampo was een organisatorische ramp en door zijn vluchtige aanpak zijn onderzoeken op een fiasco uitgelopen. Onder Bensouda is het bureau van de aanklager geherstructureerd en is de kwaliteit van het onderzoek sterk verbeterd. „Maar van haar zul je geen kwaad woord horen over Ocampo”, zegt een ingewijde.

Bensouda wil zich niet laten leiden door emoties, zegt ze in een zaaltje in het eerder dit jaar geopende gebouw van het Strafhof aan de Waalsdorperweg in Den Haag. „Ik ben aanklager. Ik moet onder alle omstandigheden gefocust blijven, en steeds blijven nadenken: hoe kunnen we effectiever zijn, efficiënter”, zegt ze. „Ik moet de slachtoffers beschermen. Dat hoort bij mijn mandaat. Ik wil zien dat daders van gruwelijkheden ter verantwoording worden geroepen.”

Als minister zag u de geboorte van het hof in 1998. Grootste steun kwam uit Afrika. Ziet u nu de aftakeling?

„Door de politisering van de Afrikaanse Unie (AU) zijn dit zeer moeilijke tijden. We geloven dat we moeten blijven werken met de AU. Ten slotte is een groot deel van die landen nog lid van het Strafhof. Afrika is het grootste continentale blok binnen het hof.

„In praktijk blijken we juist goed te kunnen samenwerken met individuele Afrikaanse landen. Daarom konden we dit jaar Al-Mahdi [de jihadist uit Mali die tombes in Timboektoe kapotsloeg, red.] berechten. Niet Mali maar Niger droeg hem over. Vaak krijgen we een positieve reactie op een verzoek om samenwerking.”

De Afrikaanse Unie steunde uw benoeming. Staat u bij hen in het krijt?

„Ik sta bij niemand in het krijt. Ik ben een onafhankelijk aanklager met een onafhankelijk mandaat krachtens het Rome-statuut. Ik voer dat uit zonder angst of voorkeuren. Onpartijdigheid en objectiviteit leiden mij. Ik probeer hoofdverantwoordelijken voor het gerecht te krijgen, ik laat me niet leiden door geografische overwegingen.”

Wat zegt het vertrek van die landen?

„Het zijn soevereine staten. Ze hebben zich vrijwillig aangesloten en als ze zich terugtrekken, doen ze dat ook uit vrije wil. Mijn bureau is in april begonnen met een vooronderzoek in Burundi. Misschien wordt dat nu moeilijker, maar we zullen doorgaan.’’

Praat u met de Afrikaanse Unie over de afkeer tegen het Strafhof?

„Nee. In het verleden bezochten we voortdurend de voorzitters van de AU. Toen mevrouw Zuma (echtgenote van de Zuid-Afrikaanse president) in 2012 werd gekozen tot voorzitter van de Afrikaanse Commissie (van de AU) hebben we diverse keren een handreiking gedaan. Maar de AU heeft min of meer besloten de deur te sluiten.”

Dat moet teleurstellend zijn.

„Het is wellicht… iets wat kan gebeuren. Je kon een terugslag verwachten naarmate het hof meer vooruitgang boekt. Het zal ons niet weerhouden door te gaan. Ik vind niet dat de AU de deuren moet sluiten. Ten losse delen we dezelfde waarden: vrede, veiligheid, stabiliteit, gerechtigheid. Cruciaal is dat we nog in staat zijn vervolgingen in te stellen, in en buiten Afrika.”

Het Strafhof doet onderzoek in negen landen, op Georgië na alle in Afrika. Heeft Afrika een punt als het zegt dat het wordt uitgekozen als doelwit?

„Het is spijtig dat critici dat beweren. Het strookt niet met de feiten. Oeganda, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Congo en Mali hebben zelf om onderzoek door het Strafhof gevraagd. Gabon afgelopen maand eveneens. En de lopende onderzoeken in Darfur (Soedan) en Libië zijn niet door het Strafhof geïnitieerd maar door de Veiligheidsraad verwezen.”

De president van Soedan staat op de arrestatielijst van het hof, maar Afrikaanse landen willen hem niet oppakken. In de Veiligheidsraad krijgt u alleen maar tegenwerking. Bijna twee jaar geleden zei u dat u uw onderzoek in Darfur daarom stopzette.

„Ik zei niet dat ik stopte, maar dat ik meer prioriteit zou geven aan andere zaken. Soedan is nog open, ik vraag nog steeds om de arrestatie van de betrokkenen. Volgens mij moet de Veiligheidsraad het werk van het Strafhof ondersteunen, vooral in die gevallen die ze zelf heeft verwezen.”

Maar ze doet het niet.

„We zullen het blijven vragen.”

Waarom wordt u dan niet kwaad?

„Wat voor zin heeft dat? We moeten proberen verder te komen.”

U opereert in een cynische wereld.

„We leven in een cynische wereld.”