Je ziet de zoekende Hergé, je beweegt met hem mee

Expositie In het Grand Palais in Parijs is een mooi overzicht te zien van stripheld Kuifje en zijn sombere schepper Hergé. Er hangen ook enkele van Hergé’s matige schilderijen, wat niet nodig was: Kuifje is kunst van zichzelf.

Pagina’s voor Mannen op de maan. Collection Studios Hergé© Hergé/Moulinsart 2016

Dat Hergé, de schepper van 24 albums over stripheld Kuifje en zijn hondje Bobbie behalve een geniale, humoristische stripmaker, ook een gekwelde, sombere man uit Etterbeek, Brussel, was die aan depressies leed en soms maanden verdween omdat hij Kuifje meer dan zat was („Kuifje is achterhaald”, schreef hij in 1949) – daarover komen we weinig te weten op de grote tentoonstelling Hergé in het Grand Palais in Parijs.

Op de expositie is vooral veel origineel tekenwerk en reclamewerk te zien van Hergé, voor de burgerlijke stand Georges Remi (Brussel, 1907-1983). De tekeningen (ook voor niet-Kuifje-strips) worden getoond op drie verdiepingen, in soms aardige opstellingen rond bijvoorbeeld een model van kasteel Molensloot, en een open model van de raket uit het album Raket naar de maan (1953).

De originele schetsen voor Kuifje-strips, met de uiteindelijke albumplaatjes erbij, vormen het hoogtepunt van de expositie. Al kijkend en vergelijkend zie je hoe Hergé per stripplaatje de perfecte vorm, compositie en zijn beroemde ‘klare lijn’ vond, zoals zijn heldere, minimalistische lijnvoering door de Haarlemse tekenaar (en fan) Joost Swarte ooit is gedoopt. Het zijn wondertjes van elegante en vaak zeer humoristische vertellingen in beeld, Hergé’s strips.

Archief

De Belgische cartoonist Hergé, de schepper van Kuifje. Archief

In tegenstelling tot de wat strakke, trefzekere stripplaatjes zijn de schetsen druk, vol levendige potloodlijnen; je ziet de zoekende Hergé, je beweegt bijna met hem mee: je komt dichter bij het wonder van zijn kunst, zo voelt het.

Voor één plaatje, bijvoorbeeld in het album Kuifje en het Zwarte Goud (1950), liet hij soms medewerkers uit zijn studio poseren, en maakte hij vele figuurschetsen tot hij de juiste had. Er is ook ander documentatiemateriaal, zoals foto’s, te zien waarmee Hergé, perfectionist, werkte.

Maar de schetsen zijn het mooist. Hoewel het misschien weer wat overdreven is om te stellen, zoals in de brochure bij de expositie gebeurt, dat „sommige potloodschetsen van kapitein Haddock, Kuifje of professor Zonnebloem […] door hun complexiteit, intelligente turbulentie en precisie van toon de stijloefeningen evenaren van Dürer, Holbein, Da Vinci of Ingres.” Kunstenaars die Hergé bewonderde.

Collection Studios Hergé© Hergé/Moulinsart 2016

Omslag voor De krab met de gulden scharen in aquarel en gouache. Collection Studios Hergé© Hergé/Moulinsart 2016

Katholieke padvinder

De expositie is niet chronologisch opgezet, maar begint bij Hergé’s dood in 1983, en dan volgen we zijn ontwikkeling als tekenaar terug in de tijd, tot hij als 19-jarige Belgische katholieke padvinder voor Le Boy-Scout belge in 1926 zijn eerste strip begint, een getekende film noemt hij het zelf, over Totor, patrouilleleider van de Meikevers. Deze Totor de padvinder heeft nog een slap kuifje, maar is de voorloper van reporter Kuifje, met zijn opstaande kuif, die in 1929 zijn debuut maakt in ‘Le Petit Vingtième’, de kinderbijlage van de crypto-fascistische katholieke krant Le XXIe Siècle.

Dat de expositie met het einde van Hergé’s leven begint, heeft een reden: zo kunnen de tentoonstellingsmakers beginnen met Hergé’s eigen pogingen uit de jaren zestig om moderne abstracte, ‘echte’ kunst te maken. Er hangen een paar van zijn matige schilderijen, en daarbij werken van echte moderne kunstenaars, die hij verzamelde, zoals van Warhol (die Hergé portretteerde), Alechinsky, Lichtenstein, Dubuffet en Fontano. De boodschap is: wij presenteren u in deze kunsttempel het Grand Palais, de kunstenaar Hergé, die heus wel meer deed dan strips tekenen. Toch hebben Hergé en zeker Kuifje (meer dan 200 miljoen verkochte albums wereldwijd) die hoge-kunstkwalificatie niet nodig – Kuifje is kunst van zichzelf.

Hergé („Ik ben Kuifje”, zei hij ooit) kwam zijn eerste veertig levensjaren Brussel bijna niet uit, terwijl hij zijn stripheld de wereld over liet zwerven. Geen wonder dat hij soms somber werd. Hij wijdde zijn hele leven aan zijn stripkunst. Hij schiep verhalen en onvergetelijke bijfiguren als kapitein Haddock en Bianca Castafiore, die filmmakers als Steve Spielberg nog altijd boeien; die werkt aan een tweede Kuifje-animatiefilm. Er is geen stripmaker die zo goed spannende en grappige scenario’s zelf maakte en zo’n heldere striptekenstijl ontwikkelde.

Collection Studios Hergé© Hergé/Moulinsart 2016

Schets voor Kuifje en de Alfa-kunst, het onvoltooide laatste album van Hergé. Collection Studios Hergé© Hergé/Moulinsart 2016

Zo zuiver mogelijk

De poging om Hergé op te stoten naar hogere kunstregionen, is mede het werk van zijn weduwe, Fanny Rodwell. Zij is sinds het overlijden van haar man bezig de erfenis van Hergé ‘zo zuiver mogelijk’ te houden, zoals ze in een interview met NRC ooit zei. Met haar nieuwe man, Nick Rodwell, uitbater van de eerste Kuifje-spulletjeswinkel in Londen, is ze daar zeer actief in, ook via rechtszaken, met hun stichting Moulinsart (Molensloot op zijn Frans).

Zo mocht Harry Thompson, schrijver van de definitieve maar kritische dubbelbiografie over Hergé en Kuifje voor zijn boek Tintin: Hergé and his creation (1992) van hen niet één Kuifje-plaatje gebruiken.

Daar staat tegenover dat Fanny Rodwell ook het prachtige museum Musée Hergé heeft opgericht, open sinds 2009, in het Belgische Louvain-la-Neuve, vlak bij Brussel. Dat Hergé-museum heeft mede deze tentoonstelling in het Grand Palais gemaakt – dat kan ook niet anders, want daar is al het belangrijke Kuifje-materiaal. In feite is deze Parijse expo een uittreksel uit het Musée Hergé, waar deels dezelfde thema’s met deels hetzelfde materiaal getoond wordt. Alleen is het in Musée Hergé mooier gepresenteerd (en minder druk).

Waar in Musée Hergé nogal werk wordt gemaakt van de boeddhistische kant van Hergé (Kuifje in Tibet, 1960) – er staat een boeddhistisch altaar – krijgt in Parijs Hergé’s interesse in China meer aandacht. Bij het schrijven van het Kuifje-album De Blauwe Lotus, rond 1934, kreeg Hergé hulp van de Chinese kunststudent Tchang Tchong-jen in Brussel. Diens dochter Sophie Tchang is curator van Musée Hergé, en zij heeft een prachtige zaal over Hergé, haar vader en Kuifje en China in het Grand Palais ingericht, met documentatie en verklarende teksten bij onder meer de Chinese teksten in de strip.

Hergé, Grand Palais Parijs. T/m 15 jan 2017. Kaarten: www.grandpalais.fr