Cultuur

Interview

Interview

Meester Bart was niet van plan om leraar te worden: ‘Ik hoor bij het vmbo’

Lunchinterview Bart Ongering schrijft als ‘Meester Bart’ columns over wat hij meemaakt als leraar in de Bijlmer. „In een huis waar 24 uur de televisie aan staat, kan wel liefde zijn.”

De tatoeage op de linkeronderarm is de lijfspreuk van zijn moeder: ‘Het leven is een feest’. Op zijn rechteronderarm staat een dichtregel van zijn oom. Normaal gesproken vertelt Bart Ongering – 34, docent Engels op de middelbare school – zijn leerlingen pas aan het eind van het schooljaar wat de betekenis is van zijn tatoeages. Maar ‘meester Bart’ is ook schrijver, met een column in dagblad Trouw en een Facebookpagina met ruim 160.000 volgers. In november verschijnt zijn bundel met columns, Meester Bart op zijn best. Daarin schrijft hij over de twee mensen die hem de leraar maakten die hij nu is. Zijn moeder – basisschoollerares. Zijn oom – docent Engels. Ze zijn allebei overleden.

Maandagmiddag is Bart Ongerings enige vrije middag. Hij komt fietsen vanuit Amsterdam Zuidoost, waar hij lesgeeft aan vmbo-leerlingen van de Open Schoolgemeenschap Bijlmer. In café De Balie – in het centrum van de stad – lunchen we met tosti’s en koffie. Hij telt losjes op zijn vingers. Naast zijn moeder en haar broer, zat zijn grootvader van moederskant ook in het onderwijs. Hij was directeur van een zelf opgerichte school. Opa aan vaderskant was schoolarts. En, telt hij verder: zijn jongere broer is docent, een van zijn twee zusjes. Plus nog wat neven en nichten die nu leren voor het leraarschap. Conclusie: „Ik stam uit een onderwijzersgeslacht.” Kan zijn, maar bij hem duurde het twee mislukte opleidingen en een baan in een kledingwinkel voor hij wist dat ook zijn plek voor de klas was.

De kinderen zeggen ‘meester’ en ‘u’

De eerste die in hem een leraar zag, was een leraar op de middelbare school in Waalwijk. „Meneer Chau, hij gaf Duits. Een Chinese man, aan de strenge kant. Maar hij liet ons lachen en leren, wat best knap is met derdeklassers mavo die het vak het jaar erop kunnen laten vallen.” Die leraar voorspelde hem dat hij, Bart Ongering, over vijftien jaar zelf leraar zou zijn. Dat klonk toen nog als een dreigement.

Tegen de herfstvakantie vind ik dat ik iedereen bij naam moet kennen.

Inmiddels is hij acht jaar ‘meester’. Zo is de aanspreektitel voor docenten op zijn school. Juf of meester gevolgd door de voornaam. En dan u of jij? Hij denkt kort na. „U, meestal.” Vousvoyeren hoeft niet per se van hem, net zomin als hij meneer genoemd wil worden. „De gepaste afstand kan ik op een andere manier wel bewaren. Met meester is het voor iedereen heel duidelijk wie of wat ik ben.” Hij heeft dit jaar zeven bovenbouwklassen vmbo, de opvolger van de vroegere mavo. Zeven klassen maal 24 leerlingen gemiddeld, is 168 les te geven kinderen. Daarnaast is hij mentor van een examenklas, zorgmentor voor leerlingen met problemen én docentenopleider. „Tegen de herfstvakantie vind ik dat ik iedereen bij naam moet kennen.” Veel Max-en en Julia’s, maar ook flink wat Amiënsa’s, Yassins en Shaquilla’s.

Slim, minder slim, dom

Hem zal je nooit horen zeggen dat zijn leerlingen ‘kansarm’ zijn en uit een ‘probleemwijk’ komen. Hij zegt juist dingen als: „Wat bij witte kinderen dyslexie heet, wordt bij kinderen met een andere komaf ineens taalachterstand genoemd.” Of: „Het zijn de volwassenen die kinderen al vanaf groep 8 in hokjes verdelen: slim, iets minder slim, dom.” Dan moet je het niet raar vinden als de leerlingen in de laagste niveaus van het vmbo (basis en kader) zichzelf ‘de allerdomsten van de school’ vinden. „Die kinderen vinden dat ze tekortschieten, ze willen de ladder op. Klimmen naar wat de maatschappij wel een aanvaardbaar niveau vindt.” Geldt dat ook voor hem? Met zijn tweedegraads bevoegdheid mag hij niet boven havo-3 niveau lesgeven. Hij wrijft over zijn donkerbruine baard, die hij al had voor het hip werd en voor hij leraar werd. „Als het goed is, weet je als docent waar je thuishoort. Ik hoor bij het vmbo. Misschien komt dat omdat ik zelf op de mavo heb gezeten.”

Behalve die Chinese leraar Duits (en nog een lerares Engels), was er op zijn middelbare school geen leraar die hem wist te raken, zegt hij. Al sluit hij niet uit dat het ook aan hem lag. Hij was 14, zat in de derde klas, toen zijn moeder overleed. Ze was eerder ziek geweest, toen zat hij in groep 6, maar dit keer ging de kanker niet meer weg. Vrijdagavond overleed ze, woensdag werd ze begraven, op donderdag ging hij weer naar school. Eerste uur: geschiedenis. „De docent vraagt waarom ik mijn huiswerk niet heb gemaakt. Ik zeg: begrafenis. Ja, ja, zegt hij, het lijkt wel of iedereen tegenwoordig begrafenissen heeft.” Z’n hele klas was naar de uitvaart gekomen. „Die man had geen idee. Hij zág zijn leerlingen niet. In elk geval mij niet.” Voor hem reden zichzelf voorlopig van zijn slechtste kant te laten zien. Veel spijbelen, grote mond thuis, op school een lastpak. Daarna het mbo geprobeerd, het roc. En toen was daar oom Harrie, broer van zijn moeder, net als zij docent. „Hij nam me mee naar zijn school. Hij liet me inzien dat ik de leraar kon worden die ik zelf nooit had gehad.”

Hij moet zeggen, hij is nu aardig op weg de leraar te worden die hij wil zijn. „In het begin wilde ik vooral aardig gevonden worden, een beginnersfout. Ik weet nu dat streng en aardig best samen in één zin kunnen.” Lastpakken in de klas? „Niks wat ik niet aankan.” Stuurt hij ze er gewoon uit? „Nooit.” Schreeuwen? „Dat kán ik niet eens.” Het klinkt bijna te mooi om waar te zijn. Is er dan niks wat tegenvalt in het onderwijs?

Rennen, nee

We worden opgeschrikt door een groepje jongens dat joelend de trappen van De Balie af galoppeert. Een jaar of 15,16, zijn doelgroep. Hij roert kalm in zijn cappuccino en zegt: „Dat mogen ze bij mij niet. Opstaan, rondlopen, praten, prima. Maar rennen, nee.” En hoe brengt hij dat aan hun verstand? „Ze weten hoe ik het hebben wil, dat hoef ik ze niet te vertellen. Zoals zij ook supergoed weten wat een goede docent is.”

En blijkbaar komt hun ideale docent overeen met hoe hij wil zijn: een luisterende leraar. Al vrij snel is hij grappige of bijzondere uitspraken van zijn leerlingen gaan opschrijven, eerst op Tumblr, later op Facebook. Smoesjes als: ‘Ik ben te laat, want ik moest mijn nieuwe schoenen inlopen’. Tot: ‘Meester, als u wilt praten, kunt u altijd bij me terecht’. De korte stukjes op internet groeiden uit tot columns en sinds kort werkt Bart Ongering aan een roman. „Ik wil me meer als schrijver gaan ontwikkelen.”

„In een kring is iedereen gedwongen elkaar aan te kijken.”

Maar hij blijft leraar. „Lesgeven is zoveel meer dan de present simple en irregular verbs uitleggen. Elke les wil ik tenminste één leerling echt gezien hebben.” Op de Open Schoolgemeenschap Bijlmer is het de gewoonte dat elke klas van elk niveau, aan het begin van het lesuur in een kring zit. „In de standaard busopstelling in de klas kun je je altijd verschuilen. Wegduiken. In een kring is iedereen gedwongen elkaar aan te kijken.” Het kringgesprek kan twintig seconden duren, of minuten, soms beslaat het een heel uur. „Het kan gaan over de dreiging van een aanslag, of de vraag waarom er bij ons op school geen enkel Syrisch kind zit.” Zelf zet hij de toon door soms heel persoonlijke dingen te vertellen. „Ik vind het geen probleem mezelf te openen naar wie me wil leren kennen.”

Ouderwets op huisbezoek

Zo hedendaags als dat klinkt, zo ouderwets zijn dan weer zijn huisbezoeken. Alle kinderen uit zijn mentorklas bezoekt hij thuis. „Soms houden ouders het af. Pas als ik zeg dat ze zich nergens voor hoeven te schamen, gaan ze overstag.” Het kost hem 26 avonden, maar levert een „schat aan kennis” op. „Ik kom terecht in Weesp, Abcoude, hartje Amsterdam, diep in de Bijlmer. Ouders zijn gescheiden, overleden, verslaafd aan alcohol. Wat ik vooral geleerd heb: niet oordelen. In een huis waar de televisie 24 uur aanstaat, kan wel liefde zijn. Wie weinig bezit, heeft niet altijd een arm leven. Verschijnt een moeder niet op een ouderavond? Ik reken het haar niet meer aan. Tegenwoordig denk ik: ze is vast aan het werk om het brood te verdienen.”

Nee, schudt hij, zelf heeft hij geen kinderen. Nog niet. Hij is net verloofd met zijn vriendin Rachel. Ze gaan eerst trouwen, en dan pas willen ze aan kinderen beginnen. Ze zijn al aan het zoeken naar een gezinshuis in plaats van de tweekamerwoning waar ze nu wonen. Ze zoeken ook buiten de stad. Dat klinkt allemaal best traditioneel. Hij knikt. „Ik heb zelf een fijne jeugd gehad.” Zijn moeder werd huisvrouw toen hij geboren werd, zijn vader was huisarts met een praktijk aan huis. „We ontbeten allemaal samen om half 8, mijn vader kwam vaste prik thuis voor de lunch, ’s avonds aten we om zes uur stipt.” Wat wil hij daarmee zeggen? „Het huis was ruim, we hadden een tuin, er waren altijd andere kinderen over de vloer.” Ja, en dus? „Het gaat niet om de grootte van het huis, natuurlijk. En als leraar zal ik nooit zoveel verdienen als een huisarts…” Maar? „Als ik zie hoe rommelig de levens van mijn leerlingen soms zijn. Zo’n chaos…” Ik begin te begrijpen wat hij bedoelt. Hij probeert een basis te leggen voor een gelukkig gezinsleven. De paar factoren waar hij wél grip op heeft (relatie, huis, inkomen) maakt hij zo stabiel mogelijk. „Dat geeft een beetje zekerheid, geen garantie. Uiteindelijk was die onbezorgde jeugd van mij ook in één klap afgelopen”