Het raadsel van de rode ogen

In een donker bos staat een klooster. Er wonen honderd monniken. Er zijn geen spiegels. Ze mogen niet met elkaar praten. En als een monnik erachter komt dat zijn ogen rood zijn, moet hij het klooster verlaten. Verder leven ze er heel tevreden.

Op een herfst-avond komt er een bezoeker. De monniken zitten net paddenstoelensoep te eten. ‘Hé’, zegt de bezoeker. ‘In elk geval één van jullie heeft rode ogen.’ Wat gebeurt er dan?

Stel dat jij een van die monniken was. Je zou nog eens goed om je heen kijken. Zag je echt niemand met rode ogen? Ai, dan was jij het dus die moest vertrekken.

En anders? Niet verder lezen als je eerst wilt denken.

Misschien zag je aan het einde van de tafel één monnik met rode ogen. Was er niemand anders met rode ogen, dan zou die monnik dus vertrekken. Maar hé, de volgende avond zit hij er nog. Wat betekent dat? Die andere monnik weet niet wat zijn eigen oogkleur is. Hij weet alleen dat er een of meer monniken met rode ogen zijn. Ook hij moet dus iemand met rode ogen hebben gezien. Maar: dat ben jij dan! Op de tweede avond vertrekken jullie allebei.

Of misschien zag je aan tafel wel twee monniken met rode ogen. Waren zij de enige twee, dan zouden ze op de tweede avond vertrekken. Maar verdorie, op de derde avond zitten ze er nog. Er is dus nóg iemand met rode ogen. Ai, jij! Op de derde avond vertrekken jullie alle drie.

Zo kun je doorgaan. En als de bezoeker een grapje had gemaakt? En geen enkele monnik rode ogen had? Precies, dan was het klooster de volgende dag leeg.