Opinie

Het is tijd voor een nieuwe taal

Ja, Trump en Wilders schelden. Maar de vijandige toon van het publieke debat is niet alleen de schuld van populisten, constateert . „We moeten afscheid nemen van onze eigen zelfrijzende verontwaardiging.”

Bas Heijne Foto AFP

En opnieuw sloeg de twijfel deze week toe: stel dat zowat iedereen het bij het verkeerde eind heeft? Dat Donald Trump toch wint? Zeker, het overgrote merendeel van de peilingen voorspelt al wekenlang een grote overwinning voor Hillary Clinton bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen. En ja, sommige media dromen al euforisch over een vernederende afstraffing van de man die het politieke establishment anderhalf jaar lang in de gordijnen joeg, die het volkse onbehagen zo schaamteloos en uitzinnig wist te exploiteren – en ook van de redeloze Republikeinse partij die het liet gebeuren. Het gezonde verstand zal triomferen op 8 november. Cynische opruiing en retorische agressie zullen het afleggen tegen de menselijke waardigheid. Wacht maar, de bubble van het narcistisch populisme zal uiteen spatten.

Zou het?

Een paar peilingen die er in het verleden bepaald niet naast zaten, voorspellen, dwars tegen de stroom in, winst voor Donald Trump. Onder normale omstandigheden zou dit als een grap worden afgedaan, gewoon negeren, maar dit zijn geen normale omstandigheden.

Was men vóór de Brexit niet net zo zelfgenoegzaam? Te vaak zijn gemeenzame verwachtingen gelogenstraft, te vaak is men verrast door de kloof tussen de bedaagde aannames van de politieke elite en de veenbrand van het ongenoegen.

Dat maakt onzeker. Zelfs wanneer Trump op 8 november roemloos wordt verslagen, heeft er toch iets onherroepelijks plaatsgevonden. Ja, Trump is de „meest onstabiele en idiosyncratische presidentskandidaat ooit”, schrijft de journalistieke veteraan Mark Thompson in Enough Said; What’s Gone Wrong With the Language of Politics?, zijn recente boek over de neergang van het publieke discours, „maar niettemin heeft Donald Trump het handboek voor de Amerikaanse politieke taal herschreven.”

Thompson is de huidige baas van de New York Times Company en had daarvoor een lange loopbaan bij de BBC. Hij ziet Trump als loot aan de stam van een inmiddels stevige boom: „Hij mag een voorbijgaand fenomeen zijn, de basisingrediënten van de Trumpiaanse retoriek – het zich nadrukkelijk afzetten tegen het decorum en de ingetogenheid van het traditionele politieke discours, met in plaats daarvan woede, uitzinnige tactieken en de radicale versimpeling van beleid, het fetisjeren van een zeggen-waar-het-op-staat ‘eerlijkheid’ als het enige wat in het publieke debat van belang is – vind je terug in de redevoeringen en slogans van de populisten en anti-politici in heel de ontwikkelde wereld.”

Ik zou het geen Trumpiaanse retoriek noemen – ere wie ere toekomt – maar eerder Wilderiaanse; het is Geert Wilders geweest die de door Pim Fortuyn voorzichtig ingezette puinhopen-retoriek in een permanente overdrive heeft gezet, met als voorlopig hoogtepunt een verkiezingsprogramma van één A-4tje, vol agressieve, onhaalbare stellingnames. Ook al lijkt Wilders de laatste maanden vooral bezig Trumpiaanse Twitter-retoriek te kopieren, vaak bijna letterlijk, hijzelf is de ware pionier.

Thompson ziet politici als Trump en Wilders vooral als symptomen. Maar willen we de verwording van ons publieke discours doorgronden, dan is het te gemakkelijk om met de vinger naar een enkele boosdoener te wijzen: naar een cynisch berekenende politiek, naar almaar heftiger om aandacht concurrerende, steeds theatraler wordende media of naar de verwende, bokkige burger. Het gaat eerder om een culturele dynamiek; alle partijen spelen hun rol spelen en vrijwel niemand kan zich eraan onttrekken. Thompson: „Deze negatieve trends worden veroorzaakt door een aantal op elkaar in werkende politieke, culturele en technologische krachten – krachten die veel groter zijn dan een ideologie, belangengroepen of een bepaalde nationale politieke situatie. Een gezonde publieke taal verbindt publieke en politieke leiders en, juist omdat die erin slaagt om gewone burgers bij het debat te betrekken, leidt uiteindelijk tot betere en breder gesteunde besluitvorming. Maar wanneer de publieke taal het vermogen om uit te leggen en betrokkenheid te kweken verliest, dan vormt zij een bedreiging voor de band tussen mensen en politici. Ik ben van mening dat dit proces zich vandaag de dag in onze democratieën voltrekt.”

Thompson is er zich gelukkig van bewust dat het wat cru is om al het hedendaagse onbehagen op de verwording van onze publieke taal te gooien. Het is een kip of het ei-kwestie: is ons publieke debat zo losgeslagen omdat de samenleving meer versplintert, of drijft onze heftiger taal, waarin bestaande tegenstellingen worden gedramatiseerd en uitvergroot, ons almaar verder uit elkaar?

Zulke kritiek is geen smetvrees voor publiek debat. Niets is dodelijker dan de bedaagde argumentatie dat politiek het zoeken naar consensus is, of dat er niets boven de edele kunst van het politieke compromis gaat. Een gezonde democratie, zoals de Franse politiek filosoof Claude Lefort (1924-2010) stelt in zijn onlangs in het Nederlands vertaalde bundel opstellen Wat is politiek?, is nooit af en zal altijd worden getekend door felle politieke tegenstellingen. Daar moet je niet bang voor zijn, dat is het wezen van de democratie.

Maar kijk nu naar Nederland en je ziet iets anders: een politieke elite waarin die tegenstellingen, ondanks een bijkans narcistische versplintering van partijen, in de praktijk tot een minimum lijken teruggebracht en waarin haalbaarheid het leidende principe is geworden. Terwijl daarbuiten, op de politieke flanken en in de samenleving zelf, de tegenstellingen almaar hoger oplaaien.

Natuurlijk zijn het niet alleen populisten die deze emoties exploiteren. In het buitenland las ik deze week op internet dat VVD-fractieleider Halbe Zijlstra het besluit van RTL om Zwarte Piet voortaan enkel wat roetvegen in het gezicht te geven, een moordaanslag had genoemd. Moordaanslag? Ik keek ervan op. Het is Zijlstra’s rol binnen de VVD om de PVV-stemmer terug te halen, maar deze hyperbool zou zelfs Wilders (die zich beperkte tot „laf, laf, laf”) links laten liggen.

Ik zocht naar het letterlijke citaat. Wat bleek: het woord moordaanslag bleek weer een hyperbolische uitvergroting van Zijlstra’s hyperbool. Zijlstra had over de keuze van RTL voor een roet-Piet gezegd: „Als je dingen wilt veranderen, doe het dan geleidelijk en niet zo abrupt als RTL nu doet. Daarmee vermoord je het Sinterklaasfeest.”

De beslissing om Zwarte Piet roetvegen te geven om deze culturele traditie van zijn racistische connotaties te bevrijden, lijkt me bij uitstek een keuze voor de geleidelijke verandering – de emotionele verdedigers van Zwarte Piet verdedigen de kleur van zijn gezicht immers altijd door te zeggen dat het niet om een huidskleur gaat maar om roet uit de schoorsteen. De abruptheid die Zijlstra zogenaamd zo’n pijn doet, speelt in op dat typisch Hollandse gevoel van miskenning; wij zijn heus van goede wil, maar we laten ons niet beleren/schofferen/bestelen/wegdrukken.

Dat vermoorden is een bewust geniepige hyperbool; Zijlstra had ‘aantasten’ kunnen gebruiken, of ‘verpesten’. Maar om daar in de commentaren een moordaanslag van te maken, met de connotatie van terrorisme, laat zien hoe aantrekkelijk die gierende mallemolen van hyperbolen is, hoe onontkoombaar bijna ook. Het wordt zo onmogelijk je aan de dynamiek van de overtreffende trap te onttrekken.

Je kunt die moordaanslag een koekje van eigen deeg noemen – Zijlstra begon immers. Maar intussen raken we steeds verder van huis.

Ik geef toe, het is heerlijk om te zien hoe de Democratische senator Elizabeth Warren Trumps denigrerende taal over vrouwen honend in zijn eigen gezicht terugwerpt: „November 8, we nasty women are going to march our nasty feet to cast our nasty votes to get you out of our lives forever.” BAM.

Maar ik schiet ook onwillekeurig in de lach wanneer Trump dezelfde Warren, die zich beroept op haar deels Indiaanse afkomst, weer eens aanduidt met ‘Pocahontas’ – wat in de vrijzinnige media als het zoveelste bewijs van zijn racisme wordt ingebracht. (Sorry.)

Intussen lijkt het publieke debat geheel in dienst te staan van het vertolken van twee emoties: hoon en verontwaardiging. Kon je die emoties elimineren, dan ging Twitter vandaag nog failliet.

Dat ik zelf ook gevoelig ben voor die emoties en de daarbij horende permanente opwinding, laat zien dat ik betrokken ben bij een samenleving waarin veel op het spel staat, te beginnen het idee van wat die samenleving nou precies is. Ook ik hoop dat aanstaand PvdA-voorman Lodewijk Asscher tijdens de komende verkiezingen krachtiger tegengas tegen het venijnige gestook van Wilders geeft dan te klagen dat „Wilders bevolkingsgroepen tegen elkaar opzet” en „mensen uitsluit”. En niet zo maar mensen, maar mensen „die hun stinkende best doen”.

Dat is dode taal.

Maar welke taal moet er dan worden gesproken? In Enough Said erkent Mark Thompson dat juist omdat er sprake is van een culturele dynamiek die onze taal directer, informeler, persoonlijker en emotioneler maakt, we niet snel meer een verbindend, inclusief publiek discours terugkrijgen. Hij stelt beheersing en bewustwording van ons taalgebruik voor en stelt dat het in een steeds technocratischere samenleving van groot belang is dat politici complexe besluitvorming helder kunnen uitleggen. Ontmasker de retoriek, terug naar de feiten. Zijn boek eindigt met tips voor een beter politiek en publiek debat, plus de verwachting dat de uitzinnigheid van het publieke debat wel zal bijtrekken. Maar juist in het begin van zijn boek, waar hij de ogenschijnlijk simpele, maar erg verfijnde politieke retoriek van de Amerikaanse president Ronald Reagan ontleedt, geeft hij een beter aanknopingspunt om de malaise in het publieke debat te bestrijden.

Net als Trump, Wilders, en andere politieke buitenstaanders voerde Reagan permanente oppositie tegen het politieke establishment. Maar hoewel ze dezelfde „retorische positie” innemen, schrijft Thompson, ontbrak het Reagan aan hun „roekeloze toorn en narcistische zelfgenoegzaamheid”. Reagan wist zich weliswaar te positioneren als een buitenstaander, maar was tegelijk binnen het systeem een ‘safe pair of hands’, iemand aan wie je de boel kon overlaten.

Zo bezien frustreert juist de uitzinnige, opwindende en hyperbolische taal waarmee politici als Trump en Wilders zich positioneren, hun eigen politieke ambities. Zij zijn zelf hun grootste tegenstander. Toen Trump water in de wijn deed wat betreft zijn keiharde immigratiestandpunt (deporteer alle illegalen), werd hij verketterd door de harde kern van zijn supporters. Onder hen dreigde Trump zijn geloofwaardigheid te verliezen. Hij moest onmiddellijk bevestigen dat zijn standpunt ongewijzigd was.

De paradox is dat hij buiten zijn woedende aanhang juist vanwege dat standpunt geen geloofwaardigheid heeft. Om een breder electoraat te bereiken kon hij hoogstens suggereren dat de soep niet zo heet gegeten wordt als hij eenmaal aan de macht is.

Dat geldt ook voor Wilders, die in zijn gehele carrière als zelfstandig politicus nog nooit ergens positief over heeft gesproken – de Efteling en de Smurfen daargelaten. Niemand ziet in hem ‘a safe pair of hands’. Zijn eigen retoriek staat geen confrontatie met een complexe werkelijkheid toe, waar onderhandeld moet worden en waar onvermijdelijk compromissen worden gesloten – het zal meteen tot verlies leiden, omdat zijn politieke taal per definitie onverzoenlijk is. Daarom zal hij nooit minister-president van Nederland worden, dat beseft hij zelf als geen ander.

Dat zal voor veel mensen een opluchting zijn, maar het wrange is dat de PVV die de afgelopen tijd steeds als grootste partij is ‘gepolld’, geen echte oppositie voert, zoals in een vitale democratie het geval zou zijn. De uitzinnige taal van Wilders mag een deel van de mensen „een stem geven” – dat is precies wat hij niet doet. Zijn taal, en die van Trump, is eerder een parallel universum dat volkomen los staat van de politieke werkelijkheid. Zijn taal is zijn eigen cor don sanitaire, een permanent verbale high van woede en wraakzucht. Dan krijg je een politicus die nu al zowat twintig jaar lid is van wat hij zelf een „nepparlement” noemt. In die taal is allang geen plaats meer voor een „echt’’ parlement, alleen nog voor een imaginaire volkswil. Waar die volkswil zich precies bevindt, ik heb geen idee, maar in het domein van de politiek is hij niet te vinden – en dat ligt aan Wilders, niet aan de politiek.

Anders dan bij een politicus als Reagan, schrijft Thompson, die zijn afkeer van politieke correctheid tot een positie binnen de politiek maakte, heeft Trump van zijn rechtse standpunten een verbale orgie gemaakt. Thompson noemt het een „wanton ecstasy” (een liederlijke extase) en „a joyous spasm of indignation” (een uitgelaten spasme van verontwaardiging).

Dat is kwalijk en gevaarlijk, maar vooral ook tragisch. Hillary Clinton verdient een stevige oppositie – niet alleen om rechts Amerika een stem te geven, maar omdat een vitale democratie daar om vraagt. Trump zal misschien verliezen op 8 november, maar zonder dat er ook maar enig politiek debat heeft plaatsgevonden. De Democraten hebben hem handig in zijn eigen val laten lopen.

Meer nog dan zijn groteske zelfbeeld en zijn houding jegens vrouwen en minderheden heeft zijn taal een verzadigingspunt bereikt. Een kwestie van overkill. De New York Times publiceerde deze week een lijst van alle 282 mensen, plaatsen en instituten die hij tijdens de verkiezingsstrijd beledigd heeft, twee volle pagina’s met misprijzen en hatelijkheden. Zo’n opsomming haalt de angel uit die taal, ze is ineens niet langer opzwepend, eerder lachwekkend en ook saai.

Dat is fataal.

Ook Wilders maakt sinds zijn beruchte a4-tje een val in de peilingen. Juist die berekende poging om met enkel slogans emoties aan te jagen, is een politieke misrekening van jewelste gebleken, samen met zijn blinde steun voor Trump en Brexit/Nexit. Wat ooit goed werkte, werkt ineens niet meer.

Taal die louter vijandig is, die geen publieke zaak erkent, en zich weigert te committeren aan de meningen en denkbeelden van een ander, maakt alleen nog stemming. Zoals Mark Thompson terecht stelt, de verwording van het publieke discours is niet enkel de schuld van populisten. We moeten afscheid nemen van onze eigen verlekkerde hyperbolen, van onze verbale uitzinnigheden, de neiging alles en iedereen in dramatische termen te gieten, van onze zelfrijzende verontwaardiging en ontsteltenis. Het is tijd voor een nieuwe taal.