De taal van zijn handen is Trumps sterkste troef

Er valt veel onvriendelijks over Donald Trump te zeggen en dat gebeurt dan ook dagelijks. Toch heeft de man een eigenschap waarvoor je veel sympathie kunt krijgen en dat is zijn ongewone expressiviteit. Zie eens wat hij met lijf en ledematen kan uitdrukken. Zie eens wat het doet met zijn publiek.

Zelfs onder fervente Trumphaters bestaat bewondering voor de manier waarop de vastgoedmagnaat zijn handen inzet voor het goede doel, de ontelbare verschillende gebaren die hij ermee maakt. Al in het voorjaar begonnen Amerikaanse media er lijsten van aan te leggen, later sloten de Britten zich aan. The Telegraph publiceerde op 4 augustus een gids voor ‘Trump’s hand gestures’, op 16 augustus volgde de BBC met een analyse door body language expert Mary Civiello. Inmiddels wemelt het op het web van de gebarenlijstjes. De meest gebruikte hebben zelfs namen gekregen: de sprinkler, de pneumatic drill, de OK-pinch.

Mary Civiello blijkt een Amerikaanse journaliste die mediatraining geeft aan managers. We begrijpen dat de moderne manager zich oefent in het gebruik van lichaamstaal en dat Civiello dus bij de BBC stond te interpreteren wat zij zelf onderwijst. Daar schieten we niet veel mee op.

Liever gaan we te rade bij Susan Goldin-Meadow. Zij is ontwikkelingspsycholoog in Chicago en heeft veel onderzoek gedaan aan het gebruik van handgebaren, vooral bij jonge kinderen. In 1999 publiceerde ze in Trends in Cognitive Sciences een review-artikel over de rol van het gebaar ‘in communiceren en denken’.

Er zijn twee soorten handgebaren, legt Goldin-Meadow uit: gebaren die woorden vervangen en gebaren die woorden begeleiden. Het verschil is groot. Gebaren uit de eerste categorie – zoals de opgestoken middelvinger of, heel anders, de opgestoken duim - worden bewust gemaakt en toehoorders weten dat ook. Voor Nederland werden ze door Herman Pieter de Boer verzameld in Het Groot Gebarenboek der Lage Landen. Het zijn gebaren die mensen makkelijk van elkaar over nemen (denk aan de snelle verspreiding van de high five, de aanhalingstekens, de telefoon en ook die middelvinger) maar die vaak alleen lokaal goed worden begrepen. Dat het een vorm van communiceren is, is duidelijk.

Trump gebruikt weinig gebaren uit deze categorie. Hij wijst wel eens naar zijn voorhoofd, maakt wel eens een stopgebaar of spreidt de armen in verbazing maar zijn befaamde ‘OK-pinch’ heeft een eigen betekenis. Trump gebruikt overwegend spontaan en waarschijnlijk vaak onbewust geproduceerde gebaren die spraak begeleiden. Dat is bij uitstek het onderzoeksterrein van Goldin-Meadow. Spontane gebaren worden op hun beurt verdeeld in allerlei klassen, noteert ze: het verbeelden van concrete of juist abstracte zaken, het ritmisch hameren, het wijzen en nog heel veel meer.

Wetenschappers hebben lang geleden besloten dat de spontane handgebaren ook onder ‘communicatie’ vallen maar worstelen sindsdien met de vraag wat de gebaren dan precies overdragen. Ze geven een kijkje op emotie en attitude van de spreker, dat is evident, maar verbeteren ze ook het begrip voor het gesproken woord? Begrijpen of voelen de toehoorders eigenlijk wel wat de handgebaren uitdrukken of toevoegen?

Bij een man als Trump is dat moeilijk na te gaan omdat hij zovéél gebaren maakt, maar experimenteel onderzoek heeft hier wel het een en ander verduidelijkt. Vaak heerst onder het publiek wel enige eenstemmigheid over de betekenis of bedoeling van de spontane gebaren. De gebaren hebben ook wel wat invloed op de mate waarin een boodschap blijft hangen. Maar sterke effecten zijn het niet.

Interessant is, schrijft Goldin-Meadow (die zich overigens niet speciaal op redevoeringen richtte) dat er geregeld een mismatch valt waar te nemen tussen spontane gebaren en uitgesproken tekst. Dan drukt het gebaar iets anders uit dan het woord. Het is een onbewuste mismatch, de handen verraden overwegingen die de lippen niet noemen en wie er zicht op krijgt kan dus, om het zo eens te zeggen, zomaar in de ziel van de spreker kijken: wat denkt hij er werkelijk van?

Zeker zo fascinerend is de vraag wat een mens zélf heeft aan de vele gebaren die hij dagelijks maakt, bijvoorbeeld als hij via de telefoon spreekt met iemand die hem helemaal niet zien kan. Het is mogelijk, schreef Goldin-Meadow, dat woorden makkelijker te binnen schieten als het bijpassende gebaar gemaakt wordt. Het kan ook zijn dat de gebaren een rol spelen bij de opslag van ideeën die men al sprekend ontwikkelt.

Ten slotte stellen de spontane gebaren de spreker in staat in zijn lichaamstaal net wat verder te gaan dan in de uitgesproken tekst, want gebaren ontsnappen doorgaans aan kritiek. Hij hoeft zich niet eens bewust te zijn van deze vrijheid, zonder het te weten kunnen zijn gebaren een proeftuin worden voor de ontwikkeling van ideeën waar hij zelf versteld van staat. Aldus Goldin-Meadow veronderstellenderwijs in 1999. De kans dat Trump al gesticulerend wordt verrast door nieuwe ideeën die uit zijn handgebaren blijken lijkt niet zo groot.