Bericht uit Jeruzalem: onze burgemeester vindt dat niet!

Hoe achter een drieregelige correctie een wereldbrand kan woeden. De krant citeerde in Correcties en Aanvullingen afgelopen maandag de reactie van de burgemeester van Jeruzalem, Nir Barkat, op recente uitlatingen van zijn loco-burgemeester over de Palestijnen in de stad. Die had gezegd, na een aanslag in de stad, dat de Palestijnen daar „dierlijk gedrag” vertonen. Barkat distantieerde zich ervan, want dit was „geen gemeentebeleid”.

Achter die drie regels ging indringende correspondentie vooraf, met enkele lezers uit Israël. Ook bloggers die de krant graag geselen, meldden zich.

Hoe ging dat? Naar aanleiding van ophef in de Israëlische media over de uitspraken van de loco-burgemeester had correspondent Derk Walters een persoonlijk stukje geschreven over het leven in Jeruzalem (Het zal je locoburgemeester maar zijn. Of wacht: dat ís hij, 13 oktober)

Enkele lezers zagen daar een bevestiging in van tendentieuze, anti-Israëlberichtgeving. Een stadgenoot van Walters vond het „stemmingmakerij en haatdragend” en hekelde dat Walters niet had vermeld dat Barkat zich van Turgeman had gedistanteerd.

Een lezer uit Herzliya vond het juist „goed dat uw correspondent onbetamelijke uitspraken van de loco-burgemeester heeft uitvergroot”, maar ook hij vond dat de reactie van de burgemeester had moeten worden vermeld.

Dat was ik met de lezers eens. Maar Walters ook. Hij was zelf al tot die conclusie gekomen, want het spreekt misschien vanzelf dat dit geen ‘gemeentebeleid’ is (het tegendeel zou groot nieuws zijn), maar toch. Walters maakte dus een aanvulling. Tot tevredenheid van beide Israëlische lezers.

Het voorval laat intussen opnieuw zien hoe beladen álles is wat de krant schrijft over Israël, hoezeer elk woord op een goudschaaltje wordt gewogen. Lezer Ratna Pelle, die de Israël-berichtgeving van Nederlandse media bewaakt, schreef een open brief met kritiek op NRC op haar blog; ik heb haar uitgebreid geantwoord en pik daar enkele elementen uit voor deze rubriek.

Allereerst, mainstream media worden, als het gaat om Israël, door critici van verschillende kampen benaderd met systematisch wantrouwen en extreme eisen aan verantwoording. Geen wonder, want Israël-Palestina is bij uitstek een emotioneel en ideologisch beladen kwestie én een propaganda-oorlog. Dat geldt nog meer nu de cultuurstrijd over de ‘islamisering’ van Nederland wordt gezien als verlengstuk van dat conflict: Gaza is Gouda.

Dat betekent wel dat de heftigste critici doorgaans spreken vanuit een eigen ideologische agenda. Ze verwijten de krant gebrek aan objectiviteit, maar op de keper beschouwd willen ze de krant vooral dwingen hún partij te kiezen.

Wat natuurlijk nog niet betekent dat kritiek per se onterecht is.

Feit is dat NRC nu als énige Nederlandse krant nog een correspondent heeft in Israël – een teken dat de krant het land belangrijk vindt en dat die zich er, kritisch, mee identificeert.

Feit is ook dat verschillen in staatsvorm en samenleving van invloed zijn. Israël is, ondanks de onrustbarende verharding die er optreedt, een open samenleving. Dat verschil met Palestina (of Arabische landen) heeft consequenties voor het werk van journalisten.

Zo had NRC vorig jaar de primeur van een rapport over wangedrag van Israëlische militairen in de Gaza-oorlog. Lezers namen daar aanstoot aan, ook al omdat de publicatie kwam op 4 mei, Dodenherdenking. Wilde de krant soms provoceren? Zeker niet, bezwoer de hoofdredactie, dit was louter een kwestie van de eerste kunnen zijn.

Maar nu de keerzijde. Toen Hamas-sympathisanten tijdens diezelfde Gaza-oorlog zeven vermeende collaborateurs lynchten, volgde er uiteraard geen officieel rapport. Toenmalig correspondent Leonie van Nierop ging na de oorlog zelf op onderzoek uit en keerde terug met een huiveringwekkend verhaal.

Het punt is: zo’n stuk maken kost meer tijd, is veel moeilijker (en gevaarlijker) dan werken in een open samenleving. Maar de krant deed het wel.

Een andere factor. Een „hetze” tegen Israël zie ik niet, wel een algemene neiging (en niet alleen bij deze krant) om groot uit te pakken met ‘eigen’ nieuws, en dat lang en breed uit te rollen. Politici die een iets te dure wijn lieten aanrukken, kunnen erover meepraten. Het is een journalistieke reflex die ik in het geval van 4 mei bekritiseerde, juist vanwege de timing. Toeval of niet, ook historische bezonkenheid is van belang bij nieuwsafwegingen. Maatvoering, gevoel voor context en geschiedenis zijn, bij dit tragische conflict, onmisbaar.

En: de krant moet duidelijk blijven maken waar hij staat, op de plek die daarvoor is bedoeld, het Commentaar. Keer op keer is daarin in de loop der jaren vastgesteld dat aan het bestaansrecht van de staat Israël niet mag worden gemorreld. Dat uitgangspunt moet de bottom line zijn, en blijven.

Die overtuiging spreekt immers niet langer vanzelf in Nederland. Zie de welwillende reacties op het optreden van Dyab Abou Jahjah, een man die de naam Israël tussen aanhalingstekens plaatst.

Daarom zou ik het toejuichen als het Commentaar die grens nog eens glashelder trekt. Binnen dat kader kan de krant over Israël net zo kritisch schrijven als over andere landen.

Tot slot een vormkwestie. Pelle vond dat het stukje van Walters „feiten en visies” vermengde. Het leek wel „het taalgebruik van een column”. Daar had ze gelijk in, want het stukje wás een column, een aflevering in een rubriek waarin correspondenten een impressie geven van het leven in hun stad.

In nrc.next was dat duidelijk, maar op de site niet, daar leek het een normaal nieuwsverhaal. Er is nu een nieuwe vormgeving voor columns in de maak, begrijp ik. Dat is maar goed ook, want een krant die feiten van meningen zegt te scheiden, moet dat natuurlijk ook online doen – en laten zien.

Reacties: ombudsman@nrc.nl