Recensie

Waarom de literaire wereld best wat strenger mag zijn

‘Als kleine jongen had ik twee passies: voetballen én schrijven. Ik vond het op school ook nooit erg om opstellen en verslagen te maken.’ Nee, dit is geen citaat van wijlen Nico Scheepmaker (of van mezelf) maar van 124-voudig voetbalinternational Wesley Sneijder. Hij heeft een kinderboek over Sinterklaas geschreven: Scoorsteen. Voer voor columnisten, zeker als de betrokkene (170 cm) ook nog de uitspraak ‘De lat ligt hoog’ doet.

Maar net toen ik me vrolijk begon af te vragen welke kleur de Piet van Wesley zou hebben, realiseerde ik me dat ik probeerde een ernstiger onderwerp te ontwijken: de mores in de literaire wereld. Dat zit zo: vorige week viel schrijver Philip Huff in Hollands Maandblad criticus Arie Storm van Het Parool aan. (U raadt het, Storm heeft Huff wel eens hard aangepakt.) Hij laakte de stijl van recenseren van Storm, vond diens sterrenverdeling onevenwichtig en liet tellend en turvend zien dat de criticus regelmatig zeer positief schreef over boeken waarvan de productie was begeleid door zijn vrouw, die (een hele goede) redacteur is bij uitgeverij Querido. Daar had Huff een punt.

Het leidde dadelijk tot een reactie van schrijver Jamal Ouariachi (u raadt het, hij publiceert bij Querido) die schreef dat de boeken van Querido nu eenmaal heel goed zijn. Dat klopt: veel van de door Huff genoemde titels ken ik: prachtromans. Maar helaas is dat de kwestie niet. Hoe goed (of slecht) ze ook zijn, Arie Storm moet geen boeken bespreken die door zijn vrouw zijn gemaakt. Zij heeft er belang bij dat die boeken goed worden ontvangen, en hij dus ook (het zijn Juliana en Bernhard niet). Zelfs als hij negatief over al die boeken zou schrijven, dan nog is het niet goed. Het Parool moet die boeken aan andere recensenten sturen.

Mijn Sneijder-schijnbeweging aan het begin van dit stukje heeft alles te maken met (u raadt het) het feit dat ik al deze mensen ken en ze erg aardig vind. Hetzelfde geldt voor een andere kwestie: de nominaties voor de ECI Literatuurprijs. Een van de juryleden is Joost de Vries, redacteur van De Groene Amsterdammer. Een van de zes genomineerde boeken is Zachte riten van Marja Pruis, óók redacteur van De Groene Amsterdammer. Dat is te dichtbij. Als een naaste collega (of partner, of vriend) in aanmerking komt voor een prijs, moet je de jury verlaten. Oók als je het een meesterwerk vindt. Oók als je je in de vergaderingen niet actief met de beoordeling van dat boek hebt bemoeid. De schijn van een vriendendienst neem je daar niet mee weg.

Tot slot nog iemand die ik erg aardig vind. U raadt het al: ikzelf. Ter verdediging: ik ben weleens uit een jury gestapt toen een krantencollega serieus kans bleek te maken op een prijs. Maar ik ben ook weleens blijven zitten. Anderhalf jaar geleden was ik lid van de jury die de J.M.A. Biesheuvelprijs toekende aan Rob van Essen voor zijn (voortreffelijke) verhalenbundel Hier wonen ook mensen. Nu ben ik nooit bij Rob van Essen thuis geweest, maar ik stuur hem wekelijks boeken om te recenseren – we hebben veel contact. Dat is, vind ik achteraf, te dichtbij. Die jury had ik moeten verlaten. Literair Nederland is klein, er bestaat altijd een groot grijs gebied. Maar we mogen best wat strenger zijn. In elk geval voor onszelf.