Recensie

Vredesprinses zonder vrede

Biografie Juliana (1909-2004)

Deze ongewone koningin, die zo gewoon wilde zijn, floreerde toen ze ver weg was van haar man en haar moeder. Eenmaal koningin moest ze haar ambities snel intomen.

Foto Prins Bernhard/Koninklijk Huisarchief

Aan het slot van haar Kersttoespraak in 1956 vroeg koningin Juliana aan de radiomicrofoon: „Maar heb ook ik soms het recht niet, te trachten mijzelf te zijn?” Wie Juliana. Vorstin in een mannenwereld leest, hoort het antwoord van alle kanten op haar af komen: „Nee mevrouw, dat is helaas niet mogelijk.”

De biografie die Jolande Withuis (1949) schreef over het voor-vorige staatshoofd van Nederland, is het verhaal van een gevangenschap. Een schitterende gevangenschap misschien, een in veel opzichten ook wel benijdenswaardige gevangenschap, maar toch. Het is het verhaal van een vrouw die werd geboren in het isolement van een koninklijk protocol, dat zij een leven lang zou beschouwen als haar ‘natuurlijke vijand’. Waarbij de tragiek is dat op de momenten dat ze daadwerkelijk wilde ontsnappen, ze zich verbond aan de verkeerde mensen. Ze trouwde een man die haar ongelukkig zou maken en toen dat ongeluk zich eenmaal in volle omvang had gemanifesteerd, gaf ze zich over aan een vrouw die haar (en haar ambt) in een minstens zo diepe crisis zou storten. Waarbij het tekenend is voor de veerkracht van Juliana, dat alles uiteindelijk toch nog enigszins op zijn pootjes terechtkwam.

Maar eerst het begin. Juliana werd op 30 april 1909 geboren als redder van een met uitsterven bedreigde dynastie. Ze was de vrucht van een slecht huwelijk: een moeder met een zware baan en een vader van Duitse plattelandsadel die geen belangstelling had voor ‘enige intellectuele activiteit die meer denkkracht vereiste dan een legpuzzel of een spelletje patience’ (Withuis is bij vlagen zeer geestig). Hij zou vooral de geschiedenis ingaan vanwege een reeks struikelpartijen van zowel financiële als seksuele aard. Wel deelden Wilhelmina en haar man een diepe religieuze belangstelling, die vooral bij Hendrik zeer esoterische trekken aan kon nemen. Bij die ouders en hun schare personeel groeide Juliana op in een soms steenkoud paleis. Daar ontwikkelde ze al snel het verlangen om ‘gewoon’ te zijn. Dat verlangen was voorstelbaar, de onmogelijkheid om het werkelijk te realiseren was evident.

Vriendinnen

Het draaide uit op een jeugd in een half-echtheid die de 21ste-eeuwer doet denken aan de film The Truman Show. Er gebeurde van alles wat gewoon leek, maar kunstmatig was: Juliana kreeg les in een klasje met vier adellijke meisjes dat op een school moest lijken en ze had vaak kinderen over de vloer, zij het dat die in een aparte koets werden vervoerd. Later, op de universiteit, zou Juliana na ruim twee jaar les en drie tentamens een eredoctoraat krijgen; alles leek wel echt, maar was het niet. Het weerhield de jonge prinses er niet van om een stalen optimisme uit te stralen, geholpen door een toen al radicale religiositeit die het christelijke ver oversteeg en in de dood slechts een overgang naar een nieuwe fase zag. Intussen waren ook de driftbuien van de opgroeiende prinses befaamd.

‘Jula’ wilde zo veel mogelijk vriendinnen om haar heen. Volgens Withuis modelleerde ze zich daarbij naar de meisjesvriendschappen die ze kende uit de Cissy van Marxvelds boeken over Joop ter Heul. Haar brieven uit die tijd weerspiegelen de taal uit die boeken. ‘’t Is heerlijk om te leven en om allerlei dingen te mogen doen, als je maar wilskracht hebt [...] maar nu word ik zo vreselijk filosofisch dat ik me ga verliezen in mijn eigen gedachten. – ’k Zou toch zulke gloeiende epistels […] kunnen schrijven!’ Vol van vrolijkheid was de jonge prinses, die zaken graag als ‘dol’ of ‘dolletjes’ voorstelde.

Alleen maar vrolijk is dat niet: een mens wil niet uit een boek leren wat vriendschap is. Daar tegenover staat dat Jula er uiteindelijk wel in slaagde mensen levenslang aan haar te binden. Vanaf haar tienerjaren tot haar dood speelde een reeks vrouwengroepen een centrale rol in haar leven. Withuis spoorde bij deze vrouwen en hun dochters een schat aan bronnenmateriaal op. Dat had ze ook wel nodig, omdat het archief van het Koninklijk Huis voor haar gesloten bleef.

Dat laatste had een minder goede biograaf dan Withuis in de problemen kunnen brengen, maar zij compenseert veel door wat ze elders heeft aangetroffen, door het werk van eerdere onderzoekers (zoals Cees Fasseur, die wel het archief in mocht) te gebruiken en door scherpe analyses, zowel in psychologische als in maatschappelijke zin. In het eerste deel van het boek levert Withuis’ verlangen om ook de maatschappij te verklaren wel een paar trage passages op.

Withuis maakt er geen geheim van dat zij de oorlogsjaren als Juliana’s finest hour beschouwt. De naar Canada uitgeweken kroonprinses leidde in die jaren niet alleen een zelfstandig, maar ook een interessant bestaan. Ze reisde veel, hield toespraken, aanvankelijk om de Verenigde Staten ervan te overtuigen deel te nemen aan de strijd tegen het nazisme. Ze sloot vriendschap met presidentsvrouw Eleanor Roosevelt en zag de contouren van een leven voor zich waarin ze niet alleen een bijdrage kon leveren aan een soepel functionerend koninkrijk, maar aan het wel van de hele wereld.

Juliana floreerde, ver weg van het hof, haar moeder en haar man. Maar na de bevrijding vloog ze meteen weer haar gouden kooi in. Het leidde tot een zeer ongelukkig decennium, gedomineerd door de slepende affaire rondom gebedsgenezeres Greet Hofmans en de daaruit voortvloeiende loopgravenoorlog tussen de (sinds 1948) koningin en haar wettige echtgenoot.

Tja, Bernhard. Withuis heeft weinig geduld met de spoiled German boy, zoals ze een aantal malen een oud-minnares van Bernhard vilein citeert. Nu is het gedrag van de zelfbenoemde ‘kwajongen’ in zeer veel opzichten ook beschamend. Aanvankelijk zag Juliana hem als haar bevrijder: zeer charmant maakte de jonge prins (de in de liefde uiterst onzekere) haar het hof. Hij voerde haar in de jaren dertig op haar kosten een jetsetleven binnen, inclusief drinkgelagen op Soestdijk. Dat was misschien niet Juliana’s stijl, maar hoe dan ook beter dan het klassieke hofleven. Bernhard legde het toen al onophoudelijk aan met andere vrouwen en kleineerde zijn vrouw door haar kleding en uiterlijk te bespotten: ‘Maar je kostuum – wat is dat wat je daar draagt? Het lijkt mij een Juliana-combinatie van strandjurk met iets er boven om het deftig te laten lijken. En geen oorbellen!’ Toen moesten de perslekken en de steekpenningen nog komen. Vaak bespot Withuis de prins-gemaal subtiel, zoals in wat ze schrijft over Juliana’s beëdiging, waar Bernhard een uniform met brede epauletten droeg: ‘Dat stond hem goed en maakte hem langer en minder frêle dan hij was.’

Elders is ze hard, getuige deze door vijf bronnen gestutte alinea over het wangedrag van Bernhard op Soestdijk: ‘Ten paleize vond de „baas in huis” het, naar de beste feodale traditie, evenmin nodig zich te beheersen. Gouvernante Nitschmann deed haar deur op slot om zich de prins van het lijf te houden. Haar zeer jonge opvolgster werd door hem belaagd. Een zestienjarige logee werd in haar logeerkamer door de prins betast onder haar blouse en op haar mond gezoend; ze wist hem haar kamer uit te werken en stortte haar hart uit bij een vertrouwd staflid; die geloofde haar, aangezien hij uit diverse andere bronnen met Bernhards gedrag bekend was. Een jong lid van Juliana’s toneelclub werd door Bernhard aangerand toen ze aan zijn uitnodiging gevolg gaf om wat schilderijen te komen bekijken, waarna de regisseur jeugdige actrices niet meer ongechaperonneerd door het paleis liet lopen als de prins thuis was. Enkele zeventienjarige schoolmeisjes uit Zeist, uitgenodigd om op Soestdijk een film te komen kijken, voelden zich in het gezelschap van de prins en enkele vrienden zo onveilig, dat ze zich in het donker uit de voeten maakten.’

Ziektetermen

Withuis verbindt het echtelijk conflict overtuigend met de groei van Juliana in de oorlogsjaren, die een concurrentiestrijd tussen haar en Bernhard veroorzaakte. Daar belanden we bij de kern van de persoonlijkheid, of eigenlijk persoonlijkheden, van de koningin. En, zoals meestal bij monarchale ellende, bij de wisselwerking tussen functie en privé- leven van de vorst. Juliana besteeg de troon met grote politieke ambities. Tegelijkertijd stapelden de privé-problemen zich op: de liefdeloze echtgenoot en de paniek om de slechtziendheid van haar jongste dochter Marijke. Dat alles leidde tot de overgave aan gebedsgenezeres Greet Hofmans en haar sektarische gezelschap. Hofmans leek in haar ascetische uitstraling een ultieme anti-Bernhard. Zo ging Juliana’s geloof over in de overtuiging dat zij dankzij Hofmans een directe lijn met het opperwezen had. Ze raakte ervan overtuigd dat het haar missie in de wereld was om die esoterische en pacifistische wijsheden te verspreiden. Daarmee plaatste ze zichzelf de facto boven de grondwet. Zo raakte de vorstin vervreemd van haar kabinet, van Bernhard en van haar oudste dochters. De bom barstte niet toevallig in de maanden na Beatrix’ achttiende verjaardag. Withuis vindt het niet onterecht om die vorstelijke verdwazing in ziektetermen te beschrijven, al heeft ze ook oog voor wat Juliana werd aangedaan. Zo noemt ze de commissie Beel, die de affaire Hofmans onderzocht en Bernhard grotendeels gelijk gaf, een trio huwelijkstherapeuten dat louter uit mannen bestond.

In zekere zin liep Juliana in haar verlangen om met het protocol te breken vooruit op de sociale omwentelingen van de jaren zestig en zeventig. Dat waren ook de jaren waarin Juliana als koningin het best functioneerde. Ze had haar ambities bijgesteld en presenteerde zich als een hooggeplaatste variant op de maatschappelijk werkster – en als een vrouw (oma) die inderdaad in veel ‘gewoon’ probeert te zijn. Withuis heeft duidelijk meer op met de ambitieuze Juliana; ze stoort zich expliciet aan de onwaarachtige films die werden gemaakt bij Juliana’s zeventigste verjaardag. Dat detoneert; daar zit de publiciste en opiniemaakster die Withuis óók is, de biografie een beetje in de weg.

Dat neemt niet weg dat Juliana. Vorstin in een mannenwereld een uitstekende biografie is: Withuis slaagt erin empathisch te zijn, zonder het gedrag van Juliana te vergoelijken. Zo meldt ze zonder omhaal de (later verzwegen) reizen van de prinses door nazi-Duitsland terwijl daar de jodenvervolgingen in volle gang waren: de biografe vond daarover geen spoor van ongemak bij Juliana.

Consequent was de vorstin zelden of nooit: Juliana hechtte minstens zo veel aan haar grilligheid als aan haar verlangen om ‘gewoon’ te zijn. Die grilligheid speelde ook een rol bij de reeks constitutionele problemen die in haar 32-jarige regeerperiode ontstonden (zie ook Lockheed en de moeizame verlovingen van Juliana’s vier dochters), maar na het lezen van Withuis’ biografie neigt een mens naar het republikanisme. Dat persoonlijke strubbelingen van de vorst het landsbestuur beïnvloeden is een inherent probleem van het systeem.

Haarscherp toont Withuis hoe de persoonlijke strubbelingen van Juliana het particuliere overstijgen. De nadelen van de monarchie (en van deze ook voor zichzelf soms ongrijpbare koningin) worden kraakhelder. Maar meer nog is Juliana een boek dat laat zien hoeveel schade het systeem een individu kan toebrengen.