Recensie

Pas als je niet meedoet, zie je wat er aan de hand is

Adrien Turel (1890-1957)

Over de futurologische vergezichten van de ‘Zwitserse wereldobservator’ Adrien Turel schreef Arjen Mulder een enthousiasmerend essay. Uit Turels geest rijst een betoverend universum op.

Foto iStock

Als essayist is Arjen Mulder uit op alle kennis die ‘buiten de wetenschap blijft vallen, kennis van alles wat geen deel is van de samenhang die de wetenschap in de wereld ontdekt door dat ene juiste, strikt wetenschappelijke standpunt in te nemen’. In het essay ontbreekt zo’n exclusief standpunt, de essayist kan elk standpunt innemen dat hem lief is en dat een nieuw, nog onbekend uitzicht belooft.

Mulder spreekt dit eerder literair dan wetenschappelijk te noemen credo uit in zijn essaybundel Levende systemen (2002). In een van de essays komt ook de ‘Zwitserse wereldobservator’ Adrien Turel (1890-1957) even voorbij, aan wie Mulder nu het leeuwendeel van zijn nieuwe bundel De successtaker. Adrien Turel en de wortels van de creativiteit heeft gewijd.

Van Turel kun je met recht zeggen dat hij buiten de wetenschap is gevallen. Ik had nog nooit van hem gehoord, in weerwil van de meer dan twintig boeken die hij publiceerde: poëzie, romans, essays en adembenemende historische annex futurologische vergezichten. Maar nu ik dankzij Mulder met hem heb kennis gemaakt, zal ik hem niet gauw vergeten. Een visionaire geest, type Oswald Spengler (1880-1936) of Ernst Jünger (1895-1998), maar dan met linkse, democratische sympathieën.

Toeval en noodlot

Turel geloofde dat de mensheid met de ontdekking van de kernfusie en de toepassing daarvan over alle mogelijke kennis van de wereld beschikte. De mens was in principe ‘almachtig’ geworden. Dus God, toeval en noodlot dienden het veld te ruimen. Alles viel voortaan onder de menselijke verantwoordelijkheid en competentie.

Met het totale maakbaarheidsidealisme dat deze visie impliceert, lijkt Mulder toch enige moeite te hebben. Evenals met de volmondige keuze voor kernenergie als het antwoord op de klimaatcrisis en het onvermijdelijke energietekort als de fossiele brandstoffen daadwerkelijk aan de kant zouden worden gezet. Vandaar dat deze consequenties van Turels fantasievolle denken niet al te veel nadruk krijgen. Liever benadrukt Mulder de ‘successtaking’ (Erfolgsstreik), door Turel ooit bedacht om zijn gebrek aan maatschappelijke erkenning te verklaren: hij had het zelf zo gewild. Mulder maakt het successtaken, het niet achter roem, rijkdom en macht aanjagen, nu tot sleutel voor de oplossing van alle problemen die de mensheid bedreigen.

Pas als je niet meedoet, zie je wat er aan de hand is. Ziedaar de kern van wat Turel het ‘wereldobservatorium’ noemde. Voor hem zelf was dat Zwitserland, waar hij ging wonen nadat hij in 1934 uit nazi-Duitsland was gezet. Afzien van daden geeft inzicht en schept ruimte en tijd voor ware creativiteit. Dat strookt met Turels fundamentele onderscheid tussen het ‘genetische’ en het ‘dynamische’ waaraan Mulder zoveel aandacht schenkt.

Onder genetisch verstaat Turel een natuurlijke, aan grenzen gebonden creativiteit, zoals die te vinden is in planten of bij een foetus in de baarmoeder; dynamisch daarentegen staat voor expansie, uitbreiding zonder innerlijke verandering. Tot nu toe was de westerse wereld vooral dynamisch, zij zou meer genetisch moeten worden, al zijn beide ook als complementair te beschouwen.

Geïnspireerd door Turel, pleit Mulder voor een grootscheepse metamorfose: de dynamische ‘rups’ moet een genetische ‘vlinder’ worden, een ‘mensheidsvlinder’ met als opdracht een ‘optimaal milieu’ te creëren en te onderhouden. Een nieuwe toekomst zit eraan te komen, als we bereid zijn om naar Turels visionaire inzichten te handelen – wat in de praktijk zou neerkomen op juist minder actie en meer besef dat wij als mensen deel uitmaken van de hele levende natuur.

Zo geformuleerd oogt het lang niet zo bijzonder en ongehoord als wanneer je alle nieuwe termen gebruikt die Turel heeft bedacht: termen als het ‘Ultratechnoicum’, de ‘vierdimensionale’ of ‘radiale’ dimensie, de Mannigfaltigkeitsbewegung, ‘synthetische tegenstellingen’, ‘schouderboog’ en ‘zadelboog’, Eigenzeit en Eigenraum, ‘autochoor’ (‘een zeer verhelderend begrip’, aldus Mulder) of de ‘socratesmens’, die Turel naast de ‘genetische’ en de ‘dynamische’ mens onderscheidt als een combinatie van deze laatste twee.

De ruimte ontbreekt hier om al deze termen en begrippen afdoende te verklaren. Met elkaar vormen ze een betoverend semantisch universum. Ik begrijp Mulders enthousiasme: alles lijkt anders te worden als je er nieuwe woorden voor vindt, angst wordt hoop, duisternis licht. Maar bekijk je dit denken van een afstand, dan vallen ook allerlei parallellen op met andere, al even betoverende denkers. Ik noemde Spengler en Jünger, je kunt ook denken aan een vroege romanticus als Novalis (voor wie de Bildung der Erde de ‘missie’ van de mensheid was) en niet te vergeten aan de 20ste-eeuwse avant-garde waaraan Turel zijn eigen progressieve steentje bijdroeg.

Bij Mulder ontbreekt dit omringende intellectuele landschap, dat onvermijdelijk de originaliteit relativeert en de scepsis bevordert, vrijwel geheel. In zijn geestdrift heeft hij zich zelfs zozeer met Turel geïdentificeerd dat hij niet goed meer weet wat van Turel is en wat van hemzelf. Zo’n intellectuele symbiose vloekt niet met de essayistische aanpak van dit stimulerende en nieuwsgierig makende boek. Maar wie precies wil weten wie Adrien Turel is geweest en wat hij heeft betekend, zal na de lectuur zelf op onderzoek moeten gaan.