Recensie

Monet en Van Gogh overtreffen hun inspirator

Met mooie bruiklenen uit de hele wereld wil het Van Gogh Museum laten zien hoe Daubigny van invloed was op Van Gogh en de impressionisten. De vergelijking pakt ongunstig uit voor de meester zelf.

Vincent van Gogh, De tuin van Daubigny, 1890 Foto Collectie R. Staechelin, Basel

Het grote schilderij Oktober van Charles-François Daubigny (1817-1878) uit het Rijksmuseum hangt al vele jaren als bruikleen in het Van Gogh Museum. Daar is het goed op zijn plaats, omdat Vincent van Gogh veel van Daubigny’s werk hield – als tiener al, toen hij jongste bediende was in de kunsthandel van zijn oom, en ook later, toen hij zelf schilderde.

In de laatste maanden van zijn leven woonde Van Gogh in Auvers-sur-Oise, het dorp ten noordwesten van Parijs waar Daubigny ook jaren had gewoond en gewerkt. Van Daubigny’s weduwe mocht hij schilderen in de tuin van zijn grote voorbeeld. Verder legde hij als een bezetene het landschap in en om Auvers vast. De kluitjes rietgedekte boerderijen. De middeleeuwse kerk. De korenvelden, al dan niet met kraaien.

Daubigny’s Oktober is ook een impressie van het platteland even buiten Parijs, misschien zelfs bij Auvers. Het land is leeg en bruin. De avond valt. In de verte branden vuurtjes over de volle breedte van het beeld. Veegjes oranje met rookwolken erboven. Er zit vaart in de grijze penseelstreken, alsof de wind niet alleen in de rook maar ook door de verf waait. Waar de rookpluimen in de avondlucht verdwijnen, wordt hun diagonale beweging opgepakt door een stel kraaien.

Charles-Francois Daubigny

Oktober, 1850-1878. Charles-Francois Daubigny

Brabantse Van Gogh

Of Van Gogh dit schilderij kende, weten we niet, maar als je het ziet begrijp je meteen waarom hij zich met Daubigny verwant voelde – al doet Oktober meer aan de vroege Brabantse dan aan de latere Franse Van Gogh denken. Nienke Bakker van het Van Gogh Museum vermoedt dat Vincent zelf door Daubigny ook aan zijn Brabantse jaren herinnerd werd. Auvers zoals Daubigny het schilderde, dat lag helemaal niet zo ver van Zundert en Nuenen.

Het stemmige landschap met vuurtjes en kraaien maakt nieuwsgierig naar de rest van Daubigny’s oeuvre. Je ziet wel eens wat van hem in musea met Franse schilderijen uit de negentiende eeuw (in de Mesdagcollectie in Den Haag zijn er zelfs twintig), maar voor een goed beeld van wat hij maakte en hoe hij zich ontwikkelde is een monografische tentoonstelling nodig, een chronologisch overzicht van zijn beste werken.

Plein air

Zo’n overzicht is de huidige Daubigny-tentoonstelling in het Van Gogh Museum niet. Om Daubigny’s naam meer bekendheid te geven hebben de tentoonstellingsmakers hem aan de namen van Monet en Van Gogh gehangen. Dat is commercieel gezien een slimme zet en kunsthistorisch ook te verdedigen. Postuum inspireerde Daubigny Van Gogh, bij leven inspireerde hij jongere schilders als Monet, Sisley en Pissarro. Hij verdedigde als jurylid hun bijdragen aan de jaarlijkse Salontentoonstellingen in Parijs en bracht hen in contact met de vooraanstaande kunsthandelaar Paul Durand-Ruel. Zij bewonderden hem als schilder omdat hij zo veel mogelijk buiten werkte, ook op grote doeken, om op groot formaat toch de directheid van plein air-studies te bereiken.

Daubigny schijnt bovendien de eerste westerse kunstenaar te zijn geweest die een onderwerp zag in bloeiende boomgaarden, waarna ook Monet, Pissarro en Van Gogh met bloesem aan de haal gingen. Ten slotte nam Monet Daubigny’s idee over om het landschap langs de Oise en de Seine te schilderen vanaf een atelierboot.

Daubigny’s betekenis voor andere, beroemdere schilders wordt in het Van Gogh Museum mooi geïllustreerd met bruiklenen uit de hele wereld, maar om de vergelijkende opstelling echt te kunnen waarderen moet je de catalogus lezen. Dat is gelukkig een heel leesbaar boek, meer een essaybundel dan een catalogus, met stevige stukken van bijvoorbeeld de Amerikaanse kunsthistorica Lynne Ambrosini, die alles weet wat er over Daubigny te weten valt. Het boek geeft eigenlijk een betere indruk van de man en zijn werk dan de tentoonstelling. Op zaal zijn zijn schilderijen niet chronologisch gerangschikt, maar naar thema, zodat die van Monet, Pissarro, Sisley en Van Gogh ernaast konden. Het idee is dat je dan ziet hoe hij de impressionisten beïnvloedde, maar in feite valt vooral op hoe zij vervolmaakten wat hij in gang had gezet.

Veel saaie plekken

Foto Gijsbert van der Wal

Zonsondergangen van Daubigny (links) en Monet (rechts) in het Van Gogh Museum. Foto Gijsbert van der Wal

Zijn Ondergaande zon bij Villerville uit de Mesdagcollectie zal in 1876 indruk hebben gemaakt door de losse schildertrant en de eenvoudige compositie: zee recht van voren, zon centraal vlak boven de horizon. Maar er zitten ook veel saaie plekken in het schilderij, en de zee bestaat uit vegen verf die de suggestie van zee even vaak in de weg zitten als versterken. Het kost moeite welwillendheid voor het werk op te brengen, en dat lukt al helemaal niet met Monets Zonsondergang op de Seine bij Lavacourt (1880) er pal naast, een zonsondergang die wél meteen overtuigt, dwars door alle jaren en clichés heen. Want kijk nou toch: die fijn in verf getekende takken rechts, die ongezond groene mist die evengoed als mist werkt, die oranjeroze zon met mintgroen eromheen – en hoe die zon twee keer op het water stuitert. Dit is gewoon een veel beter schilderij.

Het lijkt erop dat Charles-François Daubigny zelfs van de lente herfst maakte

Op de afdeling bloesem hangt een krachtige bloeiende boomgaard van Van Gogh uit de vaste collectie naast een boom vol witte bloemetjes in kraakhelder lentelicht van Monet, uit 1873. Dwarrelende schaduwtjes op de modder en het gras. Een zachte blauwe lucht. Daar weer naast hangt, ook uit 1873, Daubigny’s schilderij van appelbloesems in een donkere boomgaard bij… ja, wat voor licht? Hoe vroeg of laat op de dag? In welk jaargetijde? Dat het voorjaar is valt alleen af te leiden uit de witte verf in de boom vooraan.

Zonlicht

Naast de landschappen van de anderen lijken die van Daubigny vaak lichtloos. Of er nu gezaaid wordt of geoogst, of de bomen nu groen of bruin of kaal zijn: altijd lijkt het schemerig en oktober. In dat stemmige grote Oktober viel dat nooit zo op. Daar paste het precies. Maar het lijkt erop dat Daubigny zelfs van de lente herfst maakte. Monet en Pissarro waren veel beter in het suggereren van zonlicht in vegen kleur. En voor zover Van Gogh dat niet ook was, was hij in elk geval uitgesprokener en ongewoner dan Daubigny. In weerwil van de goede bedoelingen blijkt op de tentoonstelling dus vooral wat Nienke Bakker in de catalogus ook een keer verwoordt: ‘dat Daubigny inzake penseelbehandeling, lichtwerking en compositie minder stoutmoedig was dan de impressionisten’.

In gedachten moeten we hem misschien niet met zijn navolgers vergelijken, maar met de romantici vóór hem en zijn tijdgenoten, de schilders van Barbizon en de Haagse School. Monet en Van Gogh zijn klinkender namen, maar voor Daubigny zijn Corot en Dupré, Roelofs en Mauve waarschijnlijk genadiger gezelschap.