Recensie

Hoe sculptuur de ruimte veroverde

Met ‘Van Rodin tot Bourgeois’ geeft het Haags Gemeentemuseum een overzicht van sculptuur in de twintigste eeuw. Het is een voorbeeldige kunstgeschiedenisles.

Paul Thek (1933-1988) Zonder titel Foto Gerrit Schreurs

Vincent Bijlo mocht het aanraken; het brons, marmer, gips, hout en staal waar beeldhouwers in de vorige eeuw de ruimte mee veroverden. Het gebutste brons op de beelden van Rodin, hetzelfde materiaal juist spiegelglad bij Brancusi, het golvende marmer van Hans Arps Torso en het stugge hout van Kirchners Dansende vrouw.

Foto Erik en Petra Hesmerg

Ernst Ludwig Kirchner, Dansende vrouw, 1911. Foto Erik en Petra Hesmerg

>Andere bezoekers, blind of niet, moeten genoegen nemen met hun overige zintuigen. Maar ook met de handen thuis blijft Van Rodin tot Bourgeois. Sculptuur in de 20ste eeuw een sensuele tentoonstelling. Soms is het alsof je de beelden al streelt als je alleen maar kijkt, bijvoorbeeld naar Giacometti’s Kijkend hoofd, waarover Jean Cocteau in 1929 schreef dat de ingreep van de beeldhouwer op het blok marmer subtiel was als de afdruk van de poot van een vogeltje in de sneeuw.

In slechts een paar zalen een overzicht geven van de ontwikkeling van de beeldhouwkunst van het impressionisme tot land art is een gewaagde onderneming, maar het is het Gemeentemuseum Den Haag gelukt van veel groten van de beeldhouwkunst een of meerdere werken te tonen; van Rodin en Bourgeois, van Brancusi, Calder en Giacometti, van Hans Arp en Henry Moore, Carl Andre en Donald Judd, Robert Smithson en James Turrell.

Van realisme naar abstractie

Samen vertellen ze een verhaal dat buiten het museum eindigt, in de landschapskunst, binnen onder meer vertegenwoordigd door een wandvullende foto van Turrells installatie Hemels gewelf, permanent te zien in Scheveningen. Pronkstuk is een werk van Brancusi, niet zijn beroemdste, wel een boeiende, licht gemaniëreerde La Negresse blonde uit 1926, dat op de weg van realisme naar abstractie – die als een van de rode draden is gekozen – al talloze elegante stappen heeft gezet.

Foto Erik en Petra Hesmerg

Alberto Giacometti, Femme égorgée, 1932. Foto Erik en Petra Hesmerg

De tentoonstelling werd samengesteld uit het bezit van het Gemeentemuseum zelf en de collectie van de National Galleries of Scotland in Edinburgh, aangevuld met bruiklenen uit nog een aantal musea, waaronder het Lehmbruck Museum, dat de Brancusi afstond. Zo is een tentoonstelling ontstaan die eigenlijk zou moeten blijven: wie een beknopt overzicht wil zien van de twintigste-eeuwse beeldhouwkunst kan altijd terecht in Den Haag. Een voorbeeldige les kunstgeschiedenis, vergezeld van een prachtige publicatie, die alle werken uitgebreid documenteert en waarvoor alle kunstwerken ook opnieuw gefotografeerd werden.

De vloek van het overzicht

Tegelijkertijd is dat ook het manco van de tentoonstelling, want braaf wordt het zo wel, hoe revolutionair de kunstenaars in hun eigen tijd ook waren. Het is de vloek van het overzicht. Alle vakjes zijn aangevinkt, alle namen gecheckt. De kunstgeschiedenis wordt hier herhaald, niet herschreven.

Alle vakjes zijn aangevinkt, alle namen gecheckt

Deze expositie had ook dertig jaar geleden gemaakt kunnen worden. Kunst uit andere streken dan Europa en Noord-Amerika komt alleen aan bod als inspiratie voor kunstenaars aan het begin van deze eeuw, die in Afrikaanse maskers een bevrijding uit het academisme zagen. Maar waarom die inspiratie niet tonen? Of wat er na 1900 in Afrika is gemaakt? Of in Japan, China, Zuid-Amerika? Waarom wel Louise Bourgeois en geen Lee Ufan? Zo lang na de geruchtmakende tentoonstelling Magiciens de la terre, ook alweer uit 1989, voelt de toewijding aan de westerse norm onnodig belegen.

Foto Erik en Petra Hesmerg

Auguste Rodin, Oproep tot de strijd, 1879. Foto Erik en Petra Hesmerg

Er is vaak gekozen voor de meer serene takken van de beeldhouwkunst; nauwelijks pop art en arte povera, wel veel minimalisme en land art. Veel lyriek, weinig rumoer. Geen Beuys, geen Kounellis, geen Warhol, geen Penone, geen Damien Hirst – waarschijnlijk omdat die minder goed passen in het klassieke verhaal dat vooral wil laten zien ‘hoe sculptuur de ruimte veroverde’.

Hier geldt ook nog steeds hoe abstracter de vormgeving hoe moderner de kunst, maar je zou even zo goed kunnen beweren dat er in de beeldhouwkunst in de vorige eeuw juist meer realisme is gekomen, denk aan Jeff Koons of Charles Ray of Fischli & Weiss of Gilbert and George, het Britse duo dat zich als levende sculpturen presenteerde.

Stukken Vlees

Op de tentoonstelling is een werk van Paul Thek een van de dammen in de dwingende stroom van steeds ijlere kunst, zoals de lichtwerken van Turrell of de draadsculpturen van Fred Sandback. Thek stelde in de jaren zestig stukken vlees tentoon, weliswaar nagemaakt, maar toch een stuk vetter dan de schrale lijnen van de minimalisten. Door de toevoeging van zulke werken is de tentoonstelling prikkelend genoeg geworden. Geen canon, maar een optocht van mogelijkheden. Van een ruime blik getuigt de opname van Profilo Continuo van de Italiaanse futurist Renato Bertelli uit 1933, een buste die vanuit 360 graden bekeken kan worden. Het profiel dat getoond wordt is dat van Mussolini. Het was een van de officiële afbeeldingen van de dictator, die door heel Italië verspreid werden. Door zo’n werk op te nemen vertakt de optocht zich, is er zelfs ruimte voor zijsporen, dwaalwegen, patstellingen.

Ook het werk van Louise Bourgeois speelt in het geschetste verhaal over het veroveren van ruimte geen hoofdrol. Haar werk bevindt zich ook niet op de tentoonstelling, maar verderop in de vaste opstelling. Dat haar naam wel de titel haalt, is hoopgevend verwarrend.