Column

Hoe komt de heks aan haar bezem?

Tekening uit Illustratie Bibliothèque nationale de France

Wie een heks verbeeldt kan niet zonder bezemsteel. Mijn dochter van vijf maakte me dat duidelijk op weg naar een Halloweenfeestje. Ze huilde er stevig bij.

’s Avonds, achter de google, bleek dat ik – kansloze gast die ik ben – geprobeerd had een minstens 565 jaar oude traditie uit haar te praten. Het oudste beeld van heksen op een bezemsteel komt immers uit 1451, uit het boek Le Champion des Dames van de Fransman Martin Le Franc.

De twee dames uit het boek vlogen nog zonder haakneus, puntmuts, ketel of pad en tijdgenoten zagen in hen vooral twee Waldenzen. Hun hoofddoek is typerend voor deze protestanten avant la lettre.

Waldenzen belandden als ketters op de brandstapel. Van deze twee hier loopt een rechte lijn naar de heks zoals wij die kennen. En de bezemsteel? Die refereerde destijds aan heidense rituelen.

In bezwerende dansen sprongen vrouwen met stokken zo hoog mogelijk in de lucht, om het tarwe tot die hoogte te laten groeien. Het ding is dus een heidens vruchtbaarheidssymbool. Voeg daar destijds populaire drankjes aan toe met hallucinerende werking, en je vliegt de lucht in.

Dat de bezemsteel daarna nog minstens vijf eeuwen heeft te gaan als onmisbaar heksenattribuut, heeft natuurlijk met meer te maken. Vooral met vrouwelijke seksualiteit, zeggen cultuurhistorici. En de angst die daarvoor heerste onder het patriarchale gezag: oei, vrouwen die wat willen.

Hoezo seksualiteit? Wel, het ding is in eerste instantie natuurlijk schoonmaakgereedschap, en staat dus voor keurige vrouwelijke huiselijkheid. Maar wie zoiets tussen de benen stopt om de lucht in te vliegen, spot met de plaats die vrouwen in de samenleving is toebedacht. De bezemsteel van de heks (een op eigen gerief beluste vrouw) toont een op hol geslagen huiselijkheid. Totale ontsporing.

Het zit allemaal al in een citaat uit 1477, van de heks van Savoie, Antoine Rose. De duivel had haar een zalfje gegeven, bekende ze. Dat zalfje, aldus het vonnis: „smeerde ze op de stok, die ze daarna tussen haar benen stopte, waarna ze zei: ‘Vlieg, in de naam van de duivel: vlieg!’”

Mijn dochter kwam nog met een kortere zin, en anders dan bij Rose niet eens onder marteling verkregen: „Ik wil mijn stok!”

Een nog beter citaat, zou je denken, waar ook alles inzit. Al beweert haar eigen, huiselijke patriarch dat de seksuele bijbedoeling hier natúúrlijk helemaal ontbreekt.