Column

Google doet geen vlieg kwaad. Nog niet

PAD Schinkel, Maarten PAD 013

Exponentiële ontwikkeling, dat is de fascinatie van Ray Kurzweil, de uitvinder, denker, futurist en tegenwoordige huisgoeroe van Google. En aan dat exponentiële denken zijn wij mensen niet gewend. Hij zei het onlangs bij een bijeenkomst in Washington voor een beperkt gezelschap. Zelf kende ik Kurzweil vooral van de gelijknamige elektrische piano waarop ik jaren geleden kortstondig speelde. Nooit gedacht dat de uitvinder daarvan een en dezelfde was als de man die voor het zaaltje stond.

Anderen wisten beter. De vriendenkring in Nederland ging exponentieel toen de deelname aan die sessie aan hen werd geappt. Van alle aansporingen sprong „Lik hem!” er het meeste uit. Dat kwam er, vanaf de vierde rij, niet van. Vragen aan Kurzweil stellen kon wel.

Voordat dat ervan kwam schetste Kurzweil hoe wij mensen slechts gewend zijn lineair te denken met de voorspellingsmachine die onze hersenen zijn. Jager ziet dier in bos, meet snelheid en richting van zichzelf en de prooi en weet waar en wanneer hij het beest zal kruisen. Maar vang maar eens een beest dat versnelt en blijft versnellen, terwijl je dat zelf ook doet. Daar zijn we volgens Kurzweil niet op berekend. Vandaar dat we telkens verrast zijn hoe snel de technologische ontwikkelingen gaan. En hoe dichtbij de volgende stappen zijn.

Kurzweil schrikt niet terug van prognoses die nu nog letterlijk fantastisch zijn. Bekend is ‘computronium’, waarbij de atomen van, zeg, een kei kunnen worden omgevormd tot de bestanddelen van computers met een capaciteit die onvergelijkbaar groter is dan alles wat we tot nu toe inzetten. Hele delen van onze planeet en zelfs ons zonnestelsel kunnen uiteindelijk in computronium worden omgezet.

De Google-goeroe kwam met andere voorbeelden. Nanobots in de bloedbaan, die als alternatieve witte bloedlichaampjes allerlei ziektes kunnen genezen en reparaties kunnen verrichten. Maar het meest tot de verbeelding sprekend was deze middag de ‘externe cortex’. Daarbij besteden mensen, organisch verbonden met een cloud van computers, een deel van hun denkvermogen uit, of vullen hun intelligentie ermee aan.

Mooi, fantastisch. Maar de vraag welde op wat dat zou doen met onze samenleving, privacy en uiteindelijk de democratie. Want als een gedeelte van je kennis en gedachten in een cloud terechtkomt, dan rijst de vraag of dat wel voldoende wordt afgeschermd en niet wordt gemanipuleerd of misbruikt. Kurzweil antwoordde dat „we dat wel aankunnen” en weidde uit over de waarborgen die er al waren, en nog zouden komen, tegen nieuwsgierige overheden, veiligheidsdiensten en andere kwaadwillenden. Het kwam kennelijk geen moment in hem op dat de vraag niet ging over overheden, hackers of geheime diensten, maar over Google zelf. De Correspondent herinnerde deze week aan een stuk van twee jaar geleden over acht verbroken beloften van Google, van privacy tot advertenties tot het koppelen van gegevens en profielen van gebruikers. Dat zou Google allemaal nooit doen, tot het dat wél deed.

Dus wat als we straks ook onze gedachten en herinneringen aan de cloud uitbesteden? Hier geldt de op deze plek vaker gebruikte ‘wet van het internet’: wat bewaard kan worden, zal bewaard worden en wat gebruikt kan worden zal gebruikt worden. De toekomst laveert zo tussen een utopie en een nachtmerrie. Om dat aan een handjevol megabedrijven over te laten, wordt steeds linker. En ook dát punt is, kennelijk, dichterbij dan je denkt.