Droge voeten dankzij onderwereld

Donkere tunnels, kelders, bunkers, riolen en gemalen. Het Rotterdam onder de straat is deze maand open voor het publiek.

Vocht slaat op de longen in het Foto Jordy Rietbroek

Het vocht slaat direct op de longen. De gewelfde bakstenen muren zijn klam, de vloer glad. Achter de muur rijden metro’s, bovenlangs auto’s en de tram. Onder het Oostplein ligt een 550 vierkante meter tellend oppervlaktewatergemaal uit 1898, één van de oudste van de stad. Het is er donker en doodstil.

Gemalen zoals die onder het Oostplein zorgen ervoor dat de stad droog blijft. Het watersysteem is een wereld waarvan de stedeling weinig meekrijgt. „Pas wanneer de Rotterdammer er last van heeft, beseft hij wat het belang van een goede riolering is”, aldus Jorg Pieneman, adviseur water en riolering bij de gemeente Rotterdam.

Zo geschiedde in juni. Door hevige regenval stroomden diverse kelders vol. Het was een pijnlijke confrontatie. Door de klimaatverandering en bevolkingstoename zit de stad qua berging van regenwater aan zijn limiet. „De gemeente bezit 30 procent van de grond”, vertelt Pieneman. „Om het rioolstelsel fatsoenlijk te laten functioneren, wordt jaarlijks veertig kilometer aan riolering vervangen en zullen straten moeten worden opengebroken.”

De Maand van de Onderwereld, deze november, geeft een inkijk in het ondergrondse Rotterdam en stelt locaties open zoals de rioolzuiveringsinstallatie in Rotterdam-Zuid, de basculekelder van de Erasmusbrug en de waterberging tussen het Museumpark en de onderliggende parkeergarage. Tot vijfhonderd meter diepte is de Gemeente Rotterdam voor deze ondergrond verantwoordelijk. Daarna neemt het Rijk het over. In de praktijk wordt vooral de eerste dertig meter gebruikt.

In de Rotterdamse ondergrond liggen zo’n vijftig verschillende objecten. Leidingen, damwanden, metrobuizen, stadsverwarming, kabels, elektra en 2.500 kilometer aan riolering. Bomen, lantaarnpalen, prullenbakken, gebouwen en bankjes zijn in de grond verankerd. Qua drukte kan de ondergrondse wereld met die van erboven worden gespiegeld. In het centrum is de grond in de breedte vol. In de diepte is er nog plek.

Jorg Pieneman duwt de deur open van de Ondergrondse Waterberging Museumpark. Dagelijks houdt hij zich bezig met het riool. Aan de muur hangen foto’s van volgelopen kelders en waterplassen op straat. Ingelijst en een tikkeltje scheef. De ruiten van de waterberging zijn beslagen. „Soms hangt er een condoom aan, maar dat hoort bij het riool.” Naast een tijdelijke opslag van tien miljoen liter rioolwater kan de berging de waterstromen sturen. Zo kunnen de riolen van het Oude Westen en Delfshaven hierheen leeglopen.

Delegaties vanuit de hele wereld bezoeken deze ondergrondse waterberging. Met name het verzakkende Jakarta heeft veel interesse. Volgens Pieneman is Rotterdam een van de diepst gelegen deltasteden. „Tegelijkertijd durf ik te beweren dat het een van de veiligste deltasteden is.”

Of het nu voor waterberging is of voor boomwortels, de ondergrond kan slechts voor één doel worden gebruikt. Het groeiend aantal inwoners, de hiermee gepaard gaande verdichting en grotere behoefte aan openbare buitenruimte dwingen de stad af te stappen van het automatisme om enkel bovengronds te bouwen. Daar moet juist plaats worden gemaakt. „Bioscopen bijvoorbeeld, die zijn toch donker,” stelt Joost Martens, adviseur beheer ondergrond gemeente Rotterdam. „Waarom bouwen we die niet ondergronds?”

Als het aan Pieneman ligt, zal ook het autoverkeer eraan moeten geloven. „Aan het begin van de 20ste eeuw moest de singel wijken voor de auto en legden wij wegen aan. Als we droge voeten willen houden, zullen wij dit moeten omdraaien en nieuwe singels moeten graven. Daarbij willen we het regen- en afvalwater scheiden om bijvoorbeeld fosfaat te onttrekken en de overgebleven rioolruimte efficiënter benutten: voor glasvezel of om postpakketten te versturen.”

Voor een soepele onder- en bovengrondse samenwerking kan de Rotterdammer zelf ook veel doen. „Denk aan groene daken en geveltuintjes om water op te vangen.”