Recensie

De Siberische hel baarde de revolutie

Tsaristische strafkoloniën

Meer dan een miljoen Russen – van misdadigers tot officieren – zijn tussen 1800 en 1917 verbannen naar ‘de grootste gevangenis zonder dak’. Ellende alom, maar daar ontstond wel het plan de Romanovs van de aardbodem weg te vagen.

Ilja Repin (1844-1930): Foto uit besproken boek

De stank, altijd was er de stank. Begin 1850 was Fjodor Dostojevski – toen nog geen beroemd schrijver – aangekomen in Omsk in Siberië. Hij was ter dood veroordeeld vanwege revolutionaire activiteiten, maar had op het allerlaatste moment, terwijl hij al op de executieplaats stond, gratie gekregen van tsaar Nicolaas I. In Siberië leefde hij vier jaar als dwangarbeider te midden van misdadigers in een oude, vervallen barak. De omstandigheden waren er verschrikkelijk. ‘Alle gevangenen stonken als varkens’, schreef hij aan zijn broer. ‘Er waren emmers vol vlooien, luizen en kakkerlakken.’

Tussen 1800 en 1917 werden meer dan een miljoen onderdanen van de tsaren naar Siberië verbannen. De Britse historicus Daniel Beer heeft hun leven en lijden met soepele pen beschreven in Het huis van de dood, een boek dat je geregeld de haren ten berge doet rijzen. Siberië, ook wel ‘de grootste gevangenis zonder dak’ genoemd, werd het graf van menig misdadiger en revolutionair, maar uiteindelijk óók van de autocratie van de Romanov-tsaren, schrijft Beer.

Zijn boek begint in 1800, het jaar van de troonsbestijging van Alexander I. De Russische kolonisatie van het land ten oosten van de Oeral was toen, na ruim twee eeuwen, voltooid. Er woonden ongeveer een miljoen mensen, verspreid over een gebied dat anderhalf keer zo groot was als Europa. Alleen de steden Tobolsk, Tomsk en Irkoetsk hadden meer dan tienduizend inwoners.

Veel Siberiërs woonden tegen hun zin in dit land van lange, koude winters. In de achttiende eeuw was een gestage stroom van ballingen naar het oosten op gang gekomen. Aan die verbanning ging een pijnlijk ritueel vooraf. Een veroordeelde misdadiger kreeg van een beul eerst slaag met de knoet, een zweep die uit meer stroken leer bestond, en werd daarna gebrandmerkt. Aldus verminkt begon de ongelukkige aan een mars die hem na vele honderden kilometers zou afleveren in een gevangenis, werkkamp of mijn.

Deze brute straf werd gezien als een teken van barmhartigheid van de tsaar. De misdadiger had eigenlijk de dood verdiend, maar de heerser had in al zijn vaderlijke goedheid besloten het leven van de gevangene te sparen en hem ‘slechts’ tot een bestaan als banneling te veroordelen. Zo zuiverde de tsaar zijn rijk van schadelijke elementen én zorgde hij voor een constante aanvoer van mankracht om Siberië verder te ontginnen.

Amateuristische putsch

De eerste groep ballingen die Beer uitgebreid beschrijft zijn de Dekabristen, een club officieren die na de dood van Alexander I in 1825 in opstand kwamen tegen de autocratie. Hun amateuristische putsch faalde en 120 mannen, sommige van hoge adel, werden naar Siberië gestuurd. Eerst moesten ze een aantal jaren zware dwangarbeid verrichten, waarna ze als banneling de rest van hun leven vorm moesten zien te geven.

Een aantal Dekabristen was getrouwd en sommige vrouwen kozen ervoor hun mannen te volgen: een definitief afscheid van hun luxe bestaan in de salons van Sint Petersburg en Moskou. Het maakte adellijke vrouwen als Maria Volkonskaja en Jekaterina Troebetskaja tot heldinnen van de liberale burgerij, in Rusland en daarbuiten.

Nadat de Dekabristen hun jaren van dwangarbeid hadden voltooid, vestigden ze zich in de stadjes en dorpjes van Siberië. Van daaruit voerden ze een levendige correspondentie met familieleden en geestverwanten. Die zorgde ervoor dat hun ideeën niet werden uitgeroeid, zoals tsaar Nicolaas I met hun verbanning had gehoopt te bereiken. In tegendeel: de wijze waarop de Dekabristen hun lot droegen en de daden van de autocratie aan de kaak stelden, maakte dat hun gedachtegoed aan geloofwaardigheid won.

Hier openbaarde zich een probleem met het tsaristische systeem van ballingschap. In tegenstelling tot de latere communisten – die mensen voor jaren lieten verdwijnen in de streng bewaakte Goelag Archipel zonder dat het thuisfront een teken van leven bereikte – hinkten de Romanovs op twee gedachten: ze wilden (politieke) misdadigers straffen en hervormen, maar ook productieve kolonisten van hen maken. Die twee wensen bleken moeilijk met elkaar te verenigen.

In de loop van de negentiende eeuw nam het aantal bannelingen in Siberië fors toe. Dat kwam ook doordat dorpsgemeenschappen het recht kregen ongewenste personen zonder tussenkomst van een magistraat naar het oosten te sturen. Dit zorgde voor de komst van talrijke onaangepaste landlopers en dronkenlappen, bepaald geen ideaal kolonistenmateriaal. Onder deze druk schoot het justitiële apparaat in Siberië tekort. Er waren bij lange na niet genoeg bewakers om te voorkomen dat er gevangenen ontsnapten. Daarnaast heersten in de werkkampen onmenselijke omstandigheden, waarvan rondreizende buitenlandse journalisten en Russische schrijvers verslag deden.

Dostojevski deed dat bijvoorbeeld in zijn roman Aantekeningen uit het dodenhuis (1862) en Anton Tsjechov schreef in 1890 een reisverhaal over de ellende die hij had aangetroffen in de strafkolonie op het eiland Sachalin. Geweld was alomtegenwoordig en de seksuele zeden waren totaal verwilderd. Moeders boden hun puberdochters aan als prostituee om wat extra geld te verdienen. Sachalin kwam Tsjechov voor ‘als een ware hel’. Dit soort ooggetuigenverslagen vrat aan de morele autoriteit van de tsaren.

In deze wanorde arriveerde rond de eeuwwisseling een nieuwe generatie revolutionairen: mannen als Vladimir Oeljanov en Jozef Dzjoegasjvili, later bekend als Lenin en Stalin. Zij maakten handig gebruik van de chaos in Siberië om samen met geloofsgenoten te werken aan de omverwerping van de heerschappij van Nicolaas II, die hen verbannen had.

Jekaterinenburg

Beer concludeert aan het einde van zijn boek dan ook dat het verbanningsbeleid van de tsaren het tegenovergestelde bereikte van wat het beoogde. Siberië was niet de plek waar de autocratie zijn vijanden vermorzelde; het was de plek waar de revolutie werd uitgebroed die in 1917 het huis Romanov van de aardbodem zou vagen. Het is wat dat betreft toepasselijk dat tsaar Nicolaas II en zijn familie in 1918 door de bolsjewieken werden vermoord in Jekaterinenburg, de stad die de toegang was tot Siberië, de openluchtgevangenis waar ze tevergeefs hadden geprobeerd hun problemen weg te stoppen.

Met Het huis van de dood heeft Beer een beklemmend boek afgeleverd. Omdat hij zich vooral richt op de belevenissen van bekende groepen gevangenen – zoals de Dekabristen, de Poolse opstandelingen van 1830 en andere revolutionairen – verdwijnt de ‘gewone’ banneling soms wat uit het vizier, maar dat maakt voor het beeld dat hij van de Siberische ballingschap schetst weinig uit. De deportatie van (politieke) misdadigers was contraproductief, maar vooral mensonterend.