Recensie

‘De boel bij elkaar houden’ is eeuwenoud

Nationalisme

Vaak wordt nationalisme gezien als een ideologie die in de 19de eeuw is ontstaan. Maar in Nederland bestond al veel eerder een duidelijk ‘wij-gevoel’, zo laat historica Lotte Jensen overtuigend zien.

Na de Tweede Wereldoorlog stond het nationalisme lange tijd in de beklaagdenbank. En hoewel populistische politici tegenwoordig hameren op de voortreffelijkheid van de eigen natie en ons graag voorhouden dat wij veel meer redenen hebben om trots te zijn op ons eigen land dan inwoners van andere naties, blijven veel mensen nationalisme associëren met misplaatste superioriteitsgevoelens, xenofobie en een agressieve, soms zelfs oorlogszuchtige buitenlandse politiek.

Het nationalisme wordt vaak gezien als een politieke ideologie die is ontstaan in de 19de eeuw. Toen veroorzaakte, na de ontwrichtende napoleontische oorlogen, de zegetocht van het kapitalisme zulke razendsnelle economische en maatschappelijke veranderingen en tegenstellingen, dat er wel íets moest gebeuren om ‘de boel bij elkaar te houden’. Door middel van ‘invented traditions’ (Eric Hobsbawm en Terrence Ranger) werd een ‘imagined community’ (Benedict Anderson) gecreëerd, die alle inwoners van een land – ongeacht hun vaak botsende economische belangen en levensbeschouwelijke opvattingen – het gevoel gaf dat men een gemeenschappelijke identiteit bezat, die sterk afweek van en ronduit superieur was aan die van andere naties. Om dit te bereiken werd het nationale verleden verheerlijkt, werden de eigen helden bejubeld (soms bedacht), werden standbeelden opgericht en musea gebouwd, verschenen populaire geschiedenisboeken en historische romans, en werd geschiedenis een belangrijk schoolvak.

In het denken over naties, natievorming en nationalisme is deze ‘modernistische’ opvatting, veelal uitgedragen door auteurs die zich lieten inspireren door het marxisme, nog altijd zeer invloedrijk. Nationale identiteit en nationalisme waren het product van de moderniteit.

Kanttekeningen

In de boeiende bundel The Roots of Nationalism, geredigeerd door de Nijmeegse hoogleraar historische letterkunde Lotte Jensen (1972), worden echter kanttekeningen geplaatst bij deze visie. De afgelopen jaren hebben namelijk tal van historici – die om hen te onderscheiden van de ‘modernisten’ vaak worden aangeduid als ‘traditionalisten’ – op basis van uitvoerig bronnenonderzoek laten zien dat al lang vóór het begin van de moderniteit (rond 1800) sprake was van natievorming en het ontstaan van nationale identiteiten.

Nationalisme als politieke ideologie, als middel om binnen een moderniserende en vaak democratiserende samenleving massa’s te mobiliseren, is volgens hen inderdaad een fenomeen dat in de 19de eeuw ontstond, maar dat wil niet zeggen dat dit, om met de Israëlische historicus Azar Gat te spreken, een ‘fabricatio ex nihilo’ was. Er werden weliswaar tradities ‘uitgevonden’, maar die bouwden wel voort op oudere tradities.

In haar eigen boek, Vieren van vrede, laat Jensen zien dat het idee van de 17de eeuw als onze Gouden Eeuw geen 19de-eeuws verzinsel is, maar dat auteurs in die tijd zelf, onder wie Vondel, Hooft en Jan Vos, benadrukten dat ze in een gouden tijdperk leefden, waarbij ze overigens kwistig gebruik maakten van topoi uit de klassieke Oudheid, zoals Arcadië met zijn goudgele graanvelden en vette koeien.

Jensens andere boek, The Roots of Nationalism bevat essays die op een theoretisch niveau de modernistische these aanvallen, maar ook veel case studies waarin de wortels en de ontwikkeling van een nationaal besef in landen als Frankrijk, de Republiek, Rusland, Engeland, Wales, IJsland, Spanje en Hongarije worden geanalyseerd. Hierbij wordt onder meer gekeken naar de rol van een gemeenschappelijke taal, de functie van literaire teksten en liederen, het creëren van een oorsprongsmythe, en betekenis van cartografie voor het versterken van een nationale identiteit. Op basis van omvangrijk en bijzonder divers bronnenmateriaal komen de meeste auteurs tot de conclusie dat er geen sprake was van een duidelijke waterscheiding rond 1800, en dat er sprake is van veel meer continuïteit dan de modernisten veronderstellen.

Dit blijkt ook duidelijk uit de interessante en zeer leesbare studie van Lotte Jensen naar de wijze waarop in Nederland tussen 1648 en 1815 werd gereageerd op vredesverdragen. Vaak wordt aangenomen dat oorlog en andere conflicten een grote rol spelen bij natievorming en het ontstaan van een nationale identiteit. Door te laten zien hoe de vredesverdragen van Münster (1648), Nijmegen (1678), Utrecht (1713), Aken (1748), Amiëns (1802), Wenen (1815) en enkele andere werden gevierd, maakt Jensen echter duidelijk dat dergelijke vredessluitingen een grote impuls gaven aan de nationale identiteit. Telkens werden er feesten en optochten georganiseerd, werd er vuurwerk afgestoken en waren er saluutschoten, terwijl er tal van teksten en prenten verschenen waarin de vrede werd gevierd. Niet alleen werd het vaderland bejubeld en werden de eigen (zee)helden geëerd, ook werd er vaak een negatief beeld geschetst van de vijand met wie men zojuist vrede had gesloten, zodat de kiemen van een volgend conflict alweer aanwezig waren.

Het bronnenmateriaal dat Jensen heeft gebruikt is door historici en neerlandici grotendeels genegeerd, omdat het zelden om verrassende of originele teksten en afbeeldingen gaat. Allerlei beelden, begrippen en symbolen werden eindeloos herhaald, zodat het geen boeiend materiaal lijkt. Maar, schrijft Jensen, juist door het repetitieve karakter ervan ‘ontstond als het ware een verbeelde gemeenschap van Nederlanders, die door de tijd heen herkenbaar was en die auteurs van uiteenlopende politieke en religieuze gezindten met elkaar verbond.’ Al ver voor 1800 ontstond een duidelijk ‘wij-gevoel’, dat de lokale en regionale grenzen oversteeg en mensen het idee gaf dat er wel degelijk zoiets bestond als ‘Nederland’.