Weg met die publicatiedwang, zegt UMC Utrecht

Wetenschapsbeleid

Minder belang aan publicaties, en grotere waarde voor onderwijs en maatschappij. Zo gaat het UMC Utrecht zijn onderzoek organiseren.

Onderzoek in UMC Utrecht, Proefopstelling met kunstborst om MRI-apparaat te verfijnen. Foto Evelyne Jacq

Als eerste in Nederland gaat het Universitair Medisch Centrum in Utrecht onderzoek en onderzoekers ingrijpend anders beoordelen dan nu gebruikelijk is. De nadruk komt minder te liggen op wetenschappelijke publicaties. Onderwijs, en het maatschappelijk belang van onderzoek gaan zwaarder wegen.

„De eenzijdige nadruk op publicaties was een perverse prikkel. We willen dat veranderen”, zegt bestuurslid Frank Miedema van het UMC Utrecht. Op zijn werkkamer legt hij de veranderingen uit, samen met stafadviseur Rinze Benedictus. In het tijdschrift Nature schreven ze er woensdag over.

Science in transition

Miedema is een van de initiatiefnemers van Science in transition, een beweging die sinds drie jaar ageert tegen het gebruik van twijfelachtige bibliometrische maatstaven waarmee onderzoekers, universiteiten en tijdschriften worden gerankt. Die maatstaven, metrics in het Engels, zijn een dominante rol gaan spelen bij het financieren van onderzoekers, en dus bij hun carrière. Steeds meer hangt die af van publicaties in hoogaangeschreven tijdschriften als Nature, Science of The Lancet. De ratrace is moordend, en gaat ten koste van de kwaliteit. „Bovendien lees je in deze bladen weinig over geriatrie, sportgeneeskunde of revalidatie”, zegt Miedema. Met als gevolg dat zulke vakgebieden ondergewaardeerd raken. Datzelfde geldt voor onderwijs en maatschappelijke bijdragen, twee andere taken die universiteiten hebben.

Precies dat schreef de Gezondheidsraad twee weken geleden in haar rapport ‘Onderzoek waarvan je beter wordt’. De raad pleit ervoor dat het maatschappelijk belang meer gaat meetellen bij de financiering van onderzoek aan de umc’s. De aandacht moet niet alleen gericht zijn op fundamenteel onderzoek, maar ook op zorg en preventie.

Aan tafel overhandigt Rinze Benedictus twee pakketjes papier, de ene van vier A4’tjes, de andere van drie. Die van vier is het nieuwe ‘Qualification Portfolio’. Op basis hiervan beoordeelt het UMC Utrecht het komend jaar de nieuw aan te stellen hoogleraren, twintig in totaal. Het protocol is afgekeken van het Karolinska Instituut in Zweden. Het is ingedeeld in vijf hoofdstukken: wetenschap, onderwijs, de kliniek, innovatie en leiderschap. Op al deze onderwerpen moeten sollicitanten vragen beantwoorden. Er wordt geen weging aan de onderwerpen gegeven. De sollicitatiecommissie beoordeelt de inzendingen kwalitatief. „Niet iedereen is overal even goed in”, zegt Miedema. „Een schaap met vijf poten vind je niet. Je probeert een gemengd collectief te krijgen.”

Al twee hoogleraren aangesteld

Er zijn inmiddels twee hoogleraren op basis van dit protocol aangesteld. Wie het zijn, en in welke van de vijf onderwerpen ze uitblinken, willen Miedema en Benedictus niet zeggen. „Omdat hun benoeming formeel nog niet is goedgekeurd”, zegt Benedictus.

Het andere protocol dat het UMC heeft ingevoerd, is voor de beoordeling van onderzoeksprogramma’s. Het is opgesteld door een UMC-commissie van tien mensen. „Bestaand uit onderzoekers in allerlei fases van hun carrière”, zegt Benedictus. Hoogleraren, postdocs, promovendi. Ook dit protocol kijkt naast publicaties en beurzen, naar maatschappelijke impact. Bijvoorbeeld of er op basis van het onderzoek medische richtlijnen zijn aangepast, en of er publieke lezingen worden gegeven. Verder telt bijvoorbeeld de mate waarin onderzoeksgegevens openbaar worden gemaakt, hoe verantwoordelijkheden worden verdeeld onder de staf, wat de plannen van de groep zijn en hoe die bereikt zullen worden.

Ook deze beoordelingen zijn vooral kwalitatief. „Het is niet langer tellen”, zegt Miedema. „Je moet de rapportages echt lezen.” Inmiddels lopen er een aantal evaluaties op basis van het nieuwe protocol.

‘Uniek’

Sarah de Rijcke van het Centrum voor Wetenschap en Technologie Studies (CWTS) in Leiden noemt het Utrechtse initiatief „uniek, vanwege de schaal, de grondigheid, en de manier waarop de onderzoekers zelf worden betrokken”. Volgens haar denken meer universiteiten er inmiddels wel over na hoe ze verstandig met indicatoren om kunnen gaan. Maar het UMC Utrecht durft nu ook daadwerkelijk stappen te zetten. „En dat is niet niks in zo’n competitieve omgeving als het biomedisch onderzoek.”

Miedema geeft toe dat het „een heel moeizaam proces” is geweest om de koerswijziging voor elkaar te krijgen. „Een systeem veranderen is extreem ingewikkeld. Kijk naar de banken.”

Op het UMC zijn er de afgelopen jaren veel debatten gevoerd over de nieuwe protocollen, vult Benedictus aan. „Onderzoekers zijn het eens met de probleemanalyse”, zegt hij. „Maar ze vragen zich af hoe het zit als ze naar een andere universiteit willen, die nog vooral beoordeelt op de publicatielijst.” Miedema springt daarop in: „Daarom lopen we ook weer niet heel ver voor de kudde uit.”

Dat laatste beaamt Gerard Pasterkamp, hoogleraar Experimentele Cardiologie aan het UMC Utrecht. „De oude criteria zijn niet meteen overboord gegooid”, zegt hij. Pasterkamp noemt de nieuwe protocollen „een moedig model”.

Maatschappelijke waarde

Ook Pasterkamp zegt dat er een gebrek is aan medisch onderzoek met klinische of maatschappelijke waarde. Met zijn collega Imo Hoefer en kinderarts Berent Prakken beschreef hij twee weken geleden in Nature Biotechnology de oorzaak daarvan. Ze noemen het de citatievallei, en geven het geneesmiddelen-onderzoek als voorbeeld. In de wetenschap draait het om publicaties in hoog aangeschreven tijdschriften: Nature, Science, New England Journal of Medicine. Die eerste twee publiceren vooral heel fundamenteel onderzoek. De laatste richt zich op grote trials naar de werking van commerciële medicijnen. Daartussen zit nog chemisch, farmacologisch, toxicologisch onderzoek. Maar tijdschriften in deze disciplines hebben doorgaans een veel lagere impact factor (een discutabele maat voor het aanzien van een tijdschrift). Daar scoor je als onderzoeker niet mee. Wetenschappers zijn zich sterk op het eerste, fundamentele stuk gaan richten. De vertaling van dat onderzoek naar de kliniek gebeurt te weinig. En grote trials worden steeds meer aan de medicijnfabrikanten overgelaten.

Miedema hoopt dat subsidiegevers hun geld ook op een andere manier gaan verdelen. De Hartstichting en het KWF doen dat al. Ook hoopt hij dat onderzoekers meer naar patiënten gaan luisteren. „Eén van de grootste problemen bij patiënten is jeuk. Veel onderzoekers denken nu nog: jeuk, daar word ik niet beroemd mee.”