Column

Vanuit het kind

Misschien kwam het door mijn leeftijd. Ik merkte dat ik in de loop van de jaren steeds minder behoefte had gekregen aan boeken en films die het perspectief van het kind als uitgangspunt hadden. Ik was geneigd zulke kunstuitingen over te slaan, de oudere volwassene in mij meende ze te zijn ontgroeid.

Ten onrechte, moet ik toegeven, nadat ik onlangs door een toeval in korte tijd een film zag en een novelle en een gedicht las, waarin de belevingswereld van een kind indringend werd weergeven. Prachtig! Waarom had ik mezelf dat ontzegd?

Het begon met de filmdocumentaire Fuocoammare van de Italiaanse regisseur Gianfranco Rosi. Rosi verbleef anderhalf jaar lang op Lampedusa om de gevolgen van de vluchtelingenstroom naar het eiland te registreren. Ik verwachtte een indrukwekkende, maar ietwat voorspelbare film over vluchtelingenmisère, maar Rosi heeft die valkuil glansrijk vermeden door het dagelijks leven van de gewone eilandbewoners een minstens zo groot aandeel te geven.

Daarin speelt het 12-jarige jongetje Samuele een hoofdrol, een lief, levendig kind. We zien hem met zijn katapult op cactussen schieten, we vergezellen hem met zijn luie oog naar de dokter, we bewonderen de snelle zuigbeweging waarmee hij zijn spaghetti opslurpt. Samuele belichaamt het leven in een film die onvermijdelijk ook over de dood moet gaan.

Toen las ik De trompetboom, een al in 2009 uitgekomen novelle van Hannah van Munster, die daarmee debuteerde. Het gaat over het 10-jarige jongetje Julius dat bij zijn frivole moeder opgroeit, maar het een poosje zonder haar moet stellen en bij zijn grootvader en diens tweede vrouw intrekt. Dat gaat niet goed, Julius is slecht tegen de nieuwe situatie opgewassen, hij vereenzaamt en kruipt steeds langer weg in de grote trompetboom op het landgoed van zijn grootvader. Op de achtergrond speelt een wrange familiegeschiedenis.

Het is een verrassend goed boek, geschreven in helder, bondig, maar toch gevoelig Nederlands. „Soms, als ik in een spiegel keek, staarde ik in een verschrikt, betrapt gezicht. Een gezicht waar ik me met geen mogelijkheid van kon voorstellen dat het ooit tot het gezicht kon uitgroeien van een man. Het knipperde te zenuwachtig met de ogen.”

Het gedicht is geschreven door Piet van Sabben, de amateurdichter van wie ik vorige week al twee gedichten publiceerde. Het heet ‘afkoop’. Hier vallen de Samuele van Rosi en de Julius van Van Munster samen met de door Van Sabben beschreven kleinkinderen die in verwondering opzien naar ons, volwassenen.

hij staat er nog, alsof hij nooit is weggegaan, in het

deurportaal tussen hal en huiskamer. onvast, troebele

blik, plankdikke visgraatjas. natuurlijk weer te veel

gezopen. zijn dochter kijkt hem treurig aan en hij blikt

schuldbewust terug. dan tast hij met nog vaste hand

diep in een opgestikte zak en wij – zijn kleinkinderen –

volgen zijn bewegingen alsof we een goocheltruc

verwachten. daarna, als hij zijn vuist weer spreidt

– een blik gelijk – neemt elk van ons bedeesd zijn

deel: mengsel van gruis, kleingeld en mollenbonen.

moeder, gelaten: wat zég je dan?