Commentaar

Radicaal voorstel SER voor veehouderij verdient steun

nrcvindt

De Sociaal Economische Raad is geen overlegorgaan dat bekend staat om zijn radicale oplossingen. Dus alleen daarom al moet de samenleving de voorstellen van de SER over een meer duurzame toekomst van de veehouderij met meer dan gemiddelde interesse beoordelen. Een breed samengestelde commissie van de SER kwam gisteren met een verstrekkend plan. Nederland moet alleen nog een kopgroep van duurzame veehouderijbedrijven financieel blijven steunen. Dat is ongeveer 30 procent van het totaal.

De SER-commissie pleit voor een krachtige regie om de schaduwkanten van de intensieve veehouderij (milieuvervuiling, gezondheidsgevaren à la Q-koorts, megastallen, tekortschietend dierenwelzijn) aan te pakken. De commissie staat onder leiding van voormalig minister van Milieu Ed Nijpels (VVD). Hij speelt in de overgang naar een duurzamere energieproductie juist de rol van krachtige regisseur die de SER hier adviseert. Die rol vloeit rechtstreeks voort uit een breed gedragen SER-akkoord.

De timing van het SER-advies vijf maanden voor de Tweede Kamer verkiezingen kan pure opzet zijn. Maar dat is geen argument om deze voorstellen als opportunistisch weg te zetten. In de veehouderij is de klassieke varkenscyclus altijd een dilemma. In tijden van hoge prijzen breiden boeren hun bedrijf uit. Zij hopen met meer productie meer inkomsten te boeken. Maar omdat alle buren dat ook doen, overspoelen de producenten de markt, de prijzen dalen, boeren moeten hun bedrijf krimpen of sluiten. De productie valt terug, prijzen herstellen zich.

De klassieke varkenscyclus zadelt de boeren op met sterk wisselende inkomsten en de samenleving met bijvoorbeeld de milieuproblemen die ontstaan door de hogere productie. Het loslaten van de melkquota vorig jaar leidde bijvoorbeeld tot grotere stallen en, zoals voorspeld, tot extra fosfaatvervuiling. De regering reageerde daar niet adequaat op. Boeren waren de dupe. Zo moet het niet.

De voorstellen van de SER-commissie beogen een beheerste overgang naar een nieuwe productiefilosofie. Net als bij de overgang naar duurzame energieproductie kan de sturende hand van de overheid hier het verschil maken.

Nieuw is die politieke rol niet. De agrarische sector is van oudsher vervlochten met overheidsregels en -subsidies, vanwege nationale exportbelangen en voedselzekerheid. Een akkoord van de bedrijfstak, de financiers en de andere belanghebbenden dat de lasten niet volledig afwentelt op de samenleving verdient een kans. Het is niet raar dat de consument hieraan ook mee betaalt. Gezonde voeding moet ons wat waard zijn, voor mens en dier.