Met een duurzame stal ben je er nog lang niet

Duurzaam boeren

De SER wil dat alleen de duurzaamste boeren nog overheidssteun krijgen. Maar wat ís duurzaam eigenlijk? „Waanzinnig ingewikkeld.”

Foto ANP

Plant ergens een duurzame stal, en tadaa: je produceert duurzaam vlees of duurzame melk. Nee dus, zegt Bram Bos, die verbonden is met de Wageningen Universiteit en zich bezighoudt met vernieuwing in de veehouderij. „Dat is een misverstand. Een duurzame stal is pas het begin.”

Dinsdag verscheen een advies van de Sociaal Economische Raad (SER) over de toekomst van de veeteelt in Nederland. De strekking: alleen de duurzaamste boeren van Nederland moeten nog steun van de overheid krijgen. Alleen deze „voorhoede” – de SER-commissie schat het op zo’n 30 procent – kan profiteren van fiscale voordelen, krijgt een lening van de bank en krijgt voorrang bij het verdelen van rechten die bepalen hoeveel dieren boeren mogen houden. De rest moet in staat worden gesteld te stoppen. Staatssecretaris Van Dam (Landbouw, PvdA) zei het voorstel „buitengewoon interessant” te vinden.

Maar wat ís ‘duurzaam’ eigenlijk? En wat is dan duurzame veeteelt? Heeft het te maken met dierenwelzijn? Energieverbruik? Luchtkwaliteit? Grondstoffen? En heb je het dan over water, fossiele brandstof, kunstmest?

Allemaal, zegt de SER-commissie, onder voorzitterschap van SER-kroonlid en prominent VVD’er Ed Nijpels. De criteria heeft de commissie niet zelf opgesteld. In 2009 tekenden negen verschillende partijen – zoals het ministerie van Economische Zaken, landbouworganisatie LTO, de Rabobank en de Dierenbescherming – een verdrag over duurzame veeteelt. Daar kwamen (later) vijftien ambities voor duurzame veehouderij bij.

Nog iets ingewikkelds: de plofkip

Maar ook al zijn er duidelijke doelen, de naleving is niet eenvoudig. Neem die eerste afspraak, zegt onderzoeker Bos. Daarin staat: de Nederlandse veehouderij gebruikt geen energie uit fossiele brandstoffen. Bos: „Waanzinnig ingewikkeld.” Het begint bij een stal die volledig draait op groene energie. Maar dan ben je er nog lang niet. „Productie van voer kost veel fossiele brandstof.” En het vervoer ook, als het bijvoorbeeld soja uit Zuid-Amerika is. En daarom is zo’n duurzame stal niet het enige antwoord.

Nog iets ingewikkelds: soms zijn duurzame principes lastig te verenigen. Een voorbeeld is het meest gefokte vleeskuiken van Nederland, bekend geworden als plofkip. Die groeit erg hard en gebruikt relatief weinig voer. Milieuvriendelijk. Maar omdat ze zo hard groeien lopen ze een groter risico op gezondheidsproblemen. Niet diervriendelijk. Duurzaam of niet? De SER wil dat experts elke anderhalf tot twee jaar „criteria” opstelt waaraan de boeren in de toekomst moeten voldoen, op basis van de best beschikbare technieken in Europa.

Hoe staat Nederland er nu voor?

Volgens Bos is er de afgelopen decennia veel veranderd. Boeren mogen bijvoorbeeld geen mest meer boven de grond uitrijden. Mest moet nu in de grond gestopt, geïnjecteerd, worden. „Dat heeft gezorgd voor een significant lagere ammoniakuitstoot.”

Toch is mest nog steeds een urgent thema. Sinds vorig jaar produceert de melkveehouderij weer meer mest dan mag van de Europese Unie. Mest was en is hét probleem van de veehouderij, zegt Bos. Andere kwesties kwamen daar later bij. De invloed op planten en dieren op het platteland. Dierenwelzijn. Klimaateffect. Antibioticagebruik. Gezondheidsrisico’s van wonen vlakbij grote boerenbedrijven.

Boeren die dit niet belangrijk vinden, mogen van de SER verdwijnen. Voor hun collega’s kan dat goed nieuws zijn. De afgelopen jaren is de veestapel in Nederland gegroeid, onder meer door de afschaffing van het melkquotum. Veel productie leidt tot lage prijzen. Er zijn genoeg boeren die al jaren werken voor bijna niets.

Bos: „Een normale werknemer zou allang staken.” Hij heeft daarom ook moeite met de behandeling van de ‘achterhoede’, waarvan een flink deel zich aan de wettelijke eisen heeft gehouden, maar volgens de SER geen steun meer verdient. „Die laat je achter zonder dat ze ooit iets fout hebben gedaan.”