Recensie

Kroostpraat

Deckwitz, Ellen 10-2015 01

Toen mijn zus moeder werd, nam ze zich één ding voor: het nooit ongevraagd over haar kinderen te hebben. Ze werd zo ontzettend moe van al die jonge ouders die je suf lulden met weetjes over hun kroost.

„Eigenlijk is het conversationele aanranding! Sterker nog: je wordt misbruikt! Die lui willen het alleen maar over hun kind hebben omdat hen dat blij maakt! Ze masturberen dus met behulp van míjn oren!” zei ze weleens, waarop ik haar maar weer apart zette op het feestje. Toen ze zelf moeder werd, hield ze woord. Ze had het alleen over haar zoons als je ernaar vroeg.

„Als ik het over mijn kinderen wil hebben, ga ik wel met mijn kinderen praten,” zei ze. Mijn neefjes, inmiddels acht en bijna elf, hebben het daardoor het liefst zo weinig mogelijk over zichzelf. Hun leerkrachten prijzen hun reflectieve vermogens, maar je kunt weinig anders ontwikkelen als je moeder alleen maar met je over jou wil praten.

„Jullie worden misschien niet met verhalen over ons vermoeid,” zuchtte mijn oudste neefje laatst, „maar wij wel.” Zijn broertje knikte uitgeput. „Ik wou dat ze een keer achter onze rug over ons praatte, zoals normale ouders.”

Sinds kort is er echter iets veranderd. Het begon zondagavond, toen we bij onze ouders zaten. Mijn zus pakte haar mobiel erbij.

„Dit zijn ze!” zei ze trots, en liet een stapel foto’s aan mijn vader zien.

„Nou, nou,” zei hij, „wat een schatjes.” Hij wilde het daarbij laten, maar mijn zus vervolgde, over hoe lief ze waren, al bijna zindelijk, hoe slim en hoe sociaal. Mijn vader begon een beetje te wiebelen op zijn stoel terwijl mijn zus er een stapel filmpjes bij pakte. Ik had de beelden inmiddels al tachtig keer gezien en ging mijn moeder helpen in de keuken.

„Het zijn maar cavia’s”, zei mijn moeder. Ik knikte. Misschien was het een fase. Mijn vader kwam de keuken binnen. In de woonkamer was mijn zus aan onze broer aan het vertellen hoe intelligent cavia’s zijn. Mijn broer zat een beetje diagonaal van haar afgewend, alsof hij ieder moment wilde wegrennen, maar het niet durfde (mijn zus rent hard, heel hard).

„Worden jullie er niet gek van?” vroeg ik mijn oudste neefje die mijn moeder hielp met groenten snijden.

„Nee joh”, zei hij. „Het gaat thuis eindelijk ergens over! Ik hoop dat ze er nog vijf bij neemt!”

En zijn broertje voegde eraan toe: „Ze is éíndelijk niet meer met ons bezig! Weet je hoe saai wij zijn!” We hoorden in de woonkamer mijn zus uitweiden over het feit dat Elizabeth I van Engeland ook cavia’s hield.

„Eindelijk draait de wereld niet meer om ons,” zei de oudste, en hij glimlachte verzaligd.

Ellen Deckwitz heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.