Recensie

Hoeder van de conceptuele kunst

In Düsseldorf wordt de verzameling van de legendarische galeriehouder Konrad Fischer getoond.

Foto's Achim Kukulies

De lijst van exposanten met maandelijkse tentoonstellingen in de Düsseldorfse galerie van Konrad Fischer, direct vanaf het begin in oktober 1967, dus precies vijftig jaar geleden, is verbijsterend. In chronologische volgorde: Carl Andre, Hanne Darboven, Sol LeWitt, Blinky Palermo, Fred Sandback, Richard Artschwager, Bruce Nauman, Jan Dibbets, Richard Long, en ga zo maar door. Allemaal vertegenwoordigers van minimal art en conceptuele kunst die op dat moment nog onbekend waren en die bij Fischer hun eerste tentoonstelling in Europa hadden, of hun eerste tentoonstelling überhaupt. En allemaal werden ze wereldberoemd. Hun kunst behoort tot het allerbeste van wat in tweede helft van de twintigste eeuw is gemaakt.

Wie was Konrad Fischer? Begin jaren zestig studeerde hij, toen nog onder de naam van zijn moeder, Lueg, aan de kunstacademie van Düsseldorf. Samen met medestudenten Sigmar Polke en Gerhard Richter vormde hij een groep. Zij maakten een maatschappijkritische, ironische vorm van Pop Art die zij Capital Realism noemden. De groep was succesvol, maar Lueg vond zichzelf niet succesvol genoeg. Hij bedacht dat het wellicht beter zou zijn om in plaats van een kleine kunstenaar in Düsseldorf te zijn, grote kunstenaars naar Düsseldorf te halen. Zo geschiedde.

Gehuurde steeg

Onder zijn ‘echte’ naam, Fischer, huurde hij met zijn vrouw Dorothee een in onbruik geraakt steegje, dat als een tunnel onder een appartementenblok aan de Neubrückstrasse doorliep. Aan beide uiteinden van deze ruimte van drie bij elf meter en vier meter hoog plaatste hij een glazen pui. Vervolgens stuurde de kersverse galeriehouder een vliegticket op naar beeldhouwer Carl Andre, die hij nog nooit had ontmoet en wiens werk hij slechts kende van reproducties in internationale kunsttijdschriften. Omdat Fischer geen geld had om werk te transporteren, nodigde hij Andre uit om ter plekke een werk te maken.

Toen Andre arriveerde, overhandigde Fischer hem een pot verf en een kwast met de woorden: „Hoe eerder je de vloer hebt geschilderd, hoe sneller je je werk kan maken.” Dit werd 5 x 20 Altstadt Rectangle, bestaande uit honderd vierkante staalplaten die de hele vloer bedekten. Veel bezoekers zagen het werk niet, omdat ze zich niet realiseerden dat ze eroverheen liepen.

Atelier als galerie

Later zei Andre: „That was the luckiest trip I ever made.” Niet alleen omdat er een levenslange vriendschap tussen de twee mannen ontstond, maar ook vanwege Fischers werkwijze, die dezelfde zou blijven: een kunstenaar uitnodigen om een site specific werk te maken. Ausstellungen bei Fischer was daarom eerder een atelier dan een galerie. Fischer ontpopte zich daarbij als een geniale netwerker, die het als zijn taak zag om de werken van zijn kunstenaars wereldwijd bij de belangrijkste verzamelaars onder te brengen. Ook was hij een begaafde tentoonstellingsmaker en nauw betrokken bij tentoonstellingen als Documenta 5 (1972) en de legendarische tentoonstelling When Attitudes Become Form. Veel van de Amerikaanse kunstenaars uit de stal van Fischer, zoals Andre en Nauman, kregen in Amerika pas erkenning nadat ze via Fischer in Europa waren getoond.

Na Fischers overlijden in 1996, op 57-jarige leeftijd, nam Dorothee het beleid over. Anders dan Fischer, die niet echt een verzamelaar was, collectioneerde zij schilder- en beeldhouwkunst, van Mario Merz tot Thomas Schütte en Manfred Pernice. Kort voor zij in 2015 stierf heeft Dorothee, na lange onderhandelingen, de verzameling en het archief van het echtpaar Fischer voor een vriendenprijs verkocht aan de Kunstsammlung Nordrhein Westfalen in Düsseldorf. De werken zijn daar nu voor het eerst te zien.

1318 wilgentakjes

Op de benedenverdieping is de tentoonstelling gewijd aan de beginjaren. De kleine galerie aan de Neubrückstrasse is een aantal malen gereproduceerd in kabinetten waar de oorspronkelijke werken worden getoond. Zoals de rastertekeningen en abstracte, obessieve ordeningen van Darboven, ragfijne muurtekeningen van LeWitt en een Sculpture for Konrad Fischer van Long, een installatie met 1318 wilgentakjes, gemaakt op 23-jarige leeftijd. Met deze werken, en de talloze brieven, ansichtkaarten en ontwerpen voor kunstwerken uit het archief komt de begintijd van de conceptuele kunst in al haar ideeënrijkdom en lichtvoetigheid tot leven.

Het archief is veruit het interessantste deel van de verzameling. Het belichaamt op een persoonlijke manier een belangrijk deel van de twintigste-eeuwse kunstgeschiedenis. Het is een ironische wending van het lot dat dit archief nu juist in de Kunstsammlung terecht is gekomen. Werner Schmalenbach, vanaf de oprichting van het museum in 1962 tot 1990 directeur, had geen enkele belangstelling voor de revolutionaire ontwikkelingen in de kunst die zich pal onder zijn neus, in Düsseldorf, afspeelden: van conceptuele kunst en Zero tot Fluxus en Joseph Beuys. Schmalenbach richtte zich op kunst die, in zijn woorden, „zich al bewezen had”, de klassiek-moderne schilderkunst van het begin van de twintigste eeuw.

Terwijl de tentoonstelling op de benedenverdieping dus op een uitmuntende manier de ontwikkeling van de conceptuele kunst tot leven brengt, gaat het op de bovenverdieping helemaal mis. Een grotere tegenstelling met de intimiteit van de conceptuele kunst is moeilijk denkbaar. Conceptuele kunstenaars benaderen de wereld vanuit een bepaald begrip en voor hen kan een drukwerkje volstaan. Boven wordt de hele bombarie van de vercommercialiseerde, museale kunst tentoongespreid. Op zichzelf zijn er belangrijke werken bij, onder meer van Stella, Pollock en Rauschenberg, maar alles is zo lukraak door elkaar heen gehangen dat het geen enkel doel treft. Een enkele Constructietekening van Darboven, met raadselachtige getallenreeksen in potlood op een velletje papier dat met stukjes plakband is vastgeplakt, roept meer op dan alles in de bovenzaal bij elkaar.