Column

Tafeltje voor twee

marcelroosmalen0

We gingen uit eten in Amsterdam, tenminste, dat was de bedoeling. Een week voor het dan zover was, waren de gekozen restaurants al lang en breed volgeboekt. Er zaten er tussen die zeiden dat je het beste een maand tevoren kon reserveren.

Gelukkig zat er niet ver van Betondorp, in de steeds hippere Watergraafsmeer, sinds kort ook een zaak met pretenties: Jacobsz. Ik passeerde de (zogenaamd) slordig met witte verf aangebrachte naam op de gevel vaak genoeg met de fiets om te weten dat daar wel plaats was. De recensies op internet waren, ondanks het ‘zeer amicale personeel’ en klachten over de akoestiek overwegend lovend. Nergens kon je zo lekker gegrilde boerenkool eten als daar.

„Daar gaan we naar toe!”, riep ik enthousiast.

Wij daar op de bonnefooi naar binnen, het was 19.30 uur op een doordeweekse avond.

Al druk met elkaar in gesprek waar of we zouden gaan zitten, werd ik staande gehouden door een meisje.

„Kan ik jullie ergens mee helpen?”

Een tafeltje.

Dat moest ze navragen.

Ze kwam terug met een boven haar geplaatste jongen die duidelijk van deze tijd was. Hij sprak Nederlands, maar gooide er zo nu en dan een buitenlandse zin doorheen. Hij liet ons de vraag opnieuw stellen.

Een tafeltje voor twee.

Hij keek naar de jas die ik alvast had uitgetrokken en die over een arm lag en daarna naar mijn gezicht met een blik alsof ik iets heel stouts had gedaan.

„We zitten helemaal vol”, zei hij, staand tussen een zee van lege tafeltjes.

Ik wilde niet zeuren, maar zei toch dat ik nog wel een plekje wist.

„Allemaal reserveringen”, zei hij.

Hij raadde ons aan zulks voortaan ook te doen. Als we de volgende dag zouden reserveren, konden we over drie weken waarschijnlijk wel terecht. Nooit eerder had iemand het woordje ‘waarschijnlijk’ zo onterecht in een zinnetje gezet en dat wist hij zelf ook wel.

Bij het weggaan zei hij: „Sorry, this is Amsterdam.”

Okay, thank you, goodbye.

We aten honderd meter verderop, dronken twee bier en fietsten drie uur later langs het restaurant waar dezelfde tafeltjes nog steeds onbezet waren. Ik was provinciaal genoeg om af te stappen om me de leugen nog een keer te laten uitserveren, maar de vriendin hield me tegen.

Later hoorde ik van een bekende die af en toe wat culinairs doet voor een krant dat je er als restaurant tegenwoordig pas bij hoort als je er niet terecht kunt.

That’s Amsterdam, sorry.