Recensie

Luc Lang gaat tot op het bot

Vijfhonderd-acht-en-dertig dichtbedrukte pagina’s telt de voor de Prix Goncourt genomineerde, tiende roman van schrijver, essayist en kunsthistoricus Luc Lang (1956). Een pavé, zwaar als een baksteen, waar je niet anders dan enigszins beducht aan kunt beginnen. Gelukkig is hier een meesterschrijver aan het werk, die je een verhaal voorschotelt dat je al na een paar pagina’s niet meer loslaat.

Vijf jaar werkte Lang aan dit boek, dat oorspronkelijk ‘Préférer l’océan’ zou heten. Het is een geografische roman waarin de landschappen rondom de Franse kuststad Le Havre, Parijs, de Pyreneeën, Kameroen én de oceaan even sterke personages zijn als zijn menselijke hoofdpersonen.

Het boek opent met een telefoongesprek dat bruusk wordt afgebroken. Camille, echtgenote van Thomas, moeder van hun twee kleine kinderen, werkt in Le Havre en komt alleen de weekenden thuis, in Parijs. Kort na het afgebroken telefoontje krijgt Thomas bericht dat zijn vrouw midden in de nacht is verongelukt en in coma ligt. Ze is over de kop geslagen toen ze met hoge snelheid over een provinciale weg reed.

Thomas rijdt naar het ziekenhuis van Rouen, waar ze is opgenomen, teruggetrokken in een wereld waar ze niet meer uit zal terugkeren. Vanaf dat moment wordt hij overvallen door vragen: waarom deed ze in de nacht op die weg? Wie is de mannenstem op haar antwoordapparaat? Waarom reed ze zo onverantwoord hard?

Een deel van die vragen blijft onbeantwoord, wel voert Lang ons stap voor stap het leven van zijn hoofdpersoon binnen. Thomas werkt voor een geavanceerd ICT-bedrijf, en is gespecialiseerd in digitale controlesystemen. De concurrentie is enorm, er moet in hoog tempo geproduceerd en geïnnoveerd worden, enige coulance met werknemers die op persoonlijk vlak problemen hebben is er niet, hij verliest zijn baan.

Op alle fronten moet Thomas zijn leven herzien, zichzelf opnieuw uitvinden. Het contact met zijn oudere broer Jean wordt intensiever, zijn moeder en schoonmoeder bekommeren zich vaker om zijn kinderen, zelfs zijn zus, met wie hij al jaren geen contact meer heeft en die in Kameroen woont, zoekt hij op. Eindelijk neemt hij tijd om vragen te stellen, na te denken, en ontdekt hij familiegeheimen waarvan hij niet op de hoogte was, maar die zijn leven hebben bepaald.

Maar deze rode lijn geeft nog geen enkel idee van de gelaagdheid van de roman. Van de zintuiglijke en filmische stijl van Lang, van de dialogen die zich naadloos in het verhaal voegen of van de prachtige manier waarop hij landschap en karakter laat interfereren. Schijnbaar moeiteloos voert Lang zijn lezer mee, terwijl hij verre blijft van uitgeschreven emoties of psychologie van de koude grond. ‘We leven zoals we dromen, alleen’, luidt het motto van Joseph Conrad, aan het begin van het tweede hoofdstuk. Dat is de bittere bottom line. Luc Lang gaat in dit boek tot op het bot. Het maakt hem meer dan Goncourt-waardig.