Recht & Onrecht

Waarom laaggeletterden steeds dieper in het moeras wegzakken

Opinie Wat weerhoudt laaggeletterden ervan om zich te laten bijscholen? Nu de overheid steeds meer digitaal communiceert, begint ook digitaal onvermogen een groter probleem te worden, schrijft Bert Pol.

Foto ANP / Remko de Waal

Schrikt u niet: van onze beroepsbevolking  kan 1,3 miljoen mensen niet of niet goed lezen en schrijven. Ze zijn laaggeletterd. En ze raken in onze maatschappij steeds verder achterop door de digitalisering van de overheidscommunicatie.  Onlangs verdiepte ik me in die relatie tussen laaggeletterdheid en digitale vaardigheden. Aanleiding  was een lezing over overheidscommunicatie en laaggeletterdheid op het congres Allemaal Digitaal, gewijd aan digitale dienstverlening van de overheden.

Van de cijfers schrok ik weer. Ruim 80%  – ruim een miljoen laaggeletterden dus  - blijkt namelijk ook niet of niet goed met een computer overweg te kunnen. Een deel van hen kan er zelfs helemaal niets mee of beheerst hooguit de meest basale vaardigheden. Maar wat zij geen van allen kunnen, is ‘de juiste informatie vinden, ‘slim’ zoeken in online informatie, producten of diensten vergelijken en beoordelen op relevantie of betrouwbaarheid’.  Intussen gaat de digitalisering van de overheidscommunicatie in rap tempo verder.

Dieper in het moeras

Daardoor zakt een aanzienlijk deel van de laaggeletterden steeds dieper in het moeras. Ze hebben ook vaker gezondheidsklachten, zijn vaker werkeloos, komen moeilijker aan het werk, zijn vaker arm en hebben vaker schulden dan de gemiddelde Nederlander.

En juist vanwege die problemen ontvangen ze veel berichten van overheidsorganisaties. Die ze dus niet kunnen lezen. (Nu is het doorgronden van berichten over sociale regelingen op zich al geen sinecure, maar het lijkt me schier onmogelijk voor wie niet taalvaardig is.) Tot overmaat van ramp moeten ze ook nog eens de nodige formulieren digitaal invullen en mailen. Wie dat niet doet, loopt het risico nog dieper in de problemen te komen, bijvoorbeeld omdat hij uitkeringen of toeslagen misloopt of te laat ontvangt.

Helpt die hulp?

Diverse overheden en uitvoeringsorganisaties  bieden coaching aan voor wie er digitaal niet op eigen kracht uitkomt. Andere geven bij evidente tekortschietende talige en digitale vaardigheden hun informatie nog op papier. Dat zijn dure oplossingen en het siert organisaties dat ze die uitgaven willen doen. Tegelijkertijd is het voor de lange termijn ook weer een nadeel. Je maakt mensen van je afhankelijk, terwijl de maatschappij in sneltreinvaart verder digitaliseert. Zo raken ze steeds verder achterop.

Een voor de hand liggende actie lijkt laaggeletterden met gezwinde spoed bij te spijkeren. Maar om hen digitaal vaardig te maken, moet je ze eerst (beter) leren lezen- en schrijven. Daar zijn allerlei mogelijkheden voor, maar laaggeletterden naar een cursus krijgen, blijkt gemakkelijker gezegd dan gedaan. Wie niet of niet goed kan lezen en schrijven, hangt dat liever niet aan de grote klok. En aan de schoolbanken heeft wie niet goed kan lezen meestal geen prettige herinneringen. Daar begon de ellende immers.

Over een andere boeg

Waar het wringt, is dat beleid, onderzoek en communicatie een zaak is van hoger opgeleiden met een HBO- of academisch niveau. Wat academici onder elkaar gemakkelijk over het hoofd zien, is dat in elk geval een fors deel van de burger wel eens heel andere problemen kan hebben dan achter de tekentafel bedacht wordt. En dat vragen die in een traditioneel onderzoek gesteld worden niet leiden tot adequate oplossingen voor de praktische problemen waar de doelgroep tegenaan loopt. Daarvoor is een ander type onderzoek nodig dan vraaggesprekken, enquêtes en focusgroepen. Namelijk participatief onderzoek waarbij de doelgroep niet alleen onderzoeksobject is, maar mede-onderzoeker. Om zo te kunnen achterhalen wat laaggeletterden ervan weerhoudt om zich te laten bijspijkeren en wat hen zal motiveren om dat wel te doen. Welke hobbels, waarvan hoogopgeleiden het bestaan niet eens vermoedden, geslecht moeten worden vooraleer men zich aanmeldt voor een cursus.