Het werkpak van El Housine Ait Boubker

Het werkpak van

Wat draag je naar je werk? En waarom? Deze week El Housine Ait Boubker (53). Als buitenportier van het Amstel Hotel is hij „de poortwachter naar het paradijs”. Zijn uniform is „een voorproefje op de grandeur” van het hotel.

Foto Niels Blekemolen

El Housine Ait Boubker is een van de twee buitenportiers van het Amstel Hotel, het oudste grand hotel van Nederland. „De poortwachter naar het paradijs”, zo zegt hij zelf. Hij groeide op in Casablanca en dat is toepasselijk, want de wereld waartoe hij toegang verschaft, lijkt overgenomen uit een oude Hollywoodfilm. Een wereld van gedempte stemmen, brede trappen, geplooide gordijnen, glinsterende kroonluchters en whisky met tinkelend ijs in kristallen glazen. Een wereld voor koningen, filmgoden en muzieksterren.

Zijn gezicht is het eerste gezicht dat de hotelgasten te zien krijgen, op de rode loper voor de ingang. Namen mag hij niet noemen, maar het zijn gasten voor wiens glimp mensen soms nachtenlang in de regen op de stoep voor het hotel slapen. Hij neemt hun autosleutels en bagage aan en begeleidt ze naar de draaideur, waar de deurportier het overneemt. En als de gasten weer naar buiten komen, is hij hun filter naar de stad. Hij geeft ze tips voor musea en restaurants, zet hun fietsen klaar en roept hun taxi’s. Alles altijd met een glimlach.

‘Lichamelijk is het zwaar’

„Het portiersuniform is een voorproefje op de grandeur die de gasten binnen het hotel te wachten staat”, vertelt Ronald Kolk, de couturier die de bedrijfskleding voor het Amstel Hotel ontwierp. Voor het portiersuniform werd hij geïnspireerd door de kleding van postkoetsiers: een hoge hoed, met het wapen van het Amstel Hotel. Een witte blouse, een okergele stropdas, een grijs gilet, en een broek en een overjas in ‘amstelblauw’, een nieuwe blauwteint die speciaal werd samengesteld.

De winterversie van de overjas heeft extra diepe, gevoerde binnenzakken, om de handen warm te houden. De zwarte revers en manchetten zijn van een extra stevig satijn, als bescherming tegen alle sleutels die er langs schuren.

Kolk zegt: „Praktisch en stijlvol, zonder dat het praktische ten koste gaat van het stijlvolle.” Boubker zelf zegt: „Met een Italiaanse snit.” Alles aan zijn uniform vindt hij mooi, ook die hoed. Al is die onhandig wanneer het regent.

Boubkers vader was de gastheer van de personeelsruimte. „Dat vieze werk van je”, zei hij toen Boubker stage liep in een garage, „kom gewoon hier.” Dat is 34 jaar geleden. Boubker kan het werk iedereen aanraden, maar, zegt hij, „lichamelijk is het zwaar.” Koffers dragen, op en neer naar de garage rennen, daar moet je fit voor zijn.

Hij werkt vijf dagen per week, acht uur per dag. Aan het eind van elke werkdag kleedt hij zich om in de personeelskamer, en fietst door de wereld van normale stervelingen naar huis. Soms komt hij in zijn vrije uren hotelgasten tegen. Hij groet ze altijd, maar vaak herkennen ze hem niet, zonder zijn uniform.