Gitarist en onberispelijke zanger van het lichte lied

Zanger Eddy Christiani (1918 – 2016) was een van de allerlaatste coryfeeën uit de jaren van bezetting en wederopbouw.

Eddy Christiani in 1972. Foto ANP

Tot zijn negentigste bleef Eddy Christiani zingen, nog altijd even onberispelijk als vroeger – als een van de allerlaatste coryfeeën uit de jaren van bezetting en wederopbouw. Voor een steeds ouder wordend publiek waren zijn liedjes, waaronder toppers als Zonnig Madeira, Ouwe taaie en Spring maar achterop, onvergetelijk geworden. En hij zong ze nog even graag: „Ik ben langzamerhand de enige die nog overgebleven is, en daarom vind ik het niet alleen een voorrecht, maar ook bijna een plicht om de mensen met mijn muziek nog even terug te brengen naar een andere, veiliger tijd”. Maar nu is ook hij, op 98-jarige leeftijd, overleden.

Hij stond vooral bekend als de zanger van het lichte lied, maar was in de eerste plaats gitarist. Daardoor kon hij in de muziek ook aan het werk blijven in tijden dat zijn zang minder in de mode was.

Op vele honderden populaire platen en in tientallen tv-programma’s speelde hij, anoniem, in het begeleidingsorkestje. Zijn gitaar was, zei hij vaak, zijn beschermengel. Of, zoals hij het in een liedje zong: „Wie de gunst aan een gitaar kan geven / heeft een vriend voor heel z’n leven”.

Pionier op elektrische gitaar

Christiani’s carrière als gitarist begon op zijn achttiende, in 1936. Twee jaar later maakte hij zijn radiodebuut. Hij ging pas zingen toen bleek dat veel café-eigenaren in die niet versterkte jaren dertig niet begrepen waarom er in hun café-orkestjes een gitarist moest meespelen. Ze konden hem nauwelijks horen, maar moesten wel zijn gage betalen.

Als zanger kon Christiani veel beter bewijzen dat hij onmisbaar was. Pas toen hij vlak voor de oorlog ging pionieren op een van de eerste elektrische gitaren in Nederland, werd alom hoorbaar dat hij ook een verfijnd instrumentalist was.

Zijn eerste solosuccessen dateren uit de oorlog, toen hij enige ontspanning bood met optimistische liedjes als Zonnig Madeira en Ik zie de zon (al schijnt ze niet). Zelf was hij trouwens nog nooit op Madeira geweest. Zijn grootste hit uit die tijd was Ouwe taaie, dat echter al gauw werd verboden wegens het herhaaldelijk aangeheven yippie-yippie-yéh-héy-hey! en andere Amerikaanse echo’s.

Massaal meegezongen

Christiani nam in 1943 de wijk naar België, waar de censuur minder streng was, en bleef daar tot de bevrijding aan het werk. Daarna luidde hij de jaren vijftig in met massaal meegezongen nummers als Op de woelige baren en het aanstekelijk gesyncopeerde Spring maar achterop („m’n achterband is wel wat zacht, maar dat geeft niet lieve pop”) – een van de meest typerende tijdsbeelden uit de Nederlandse amusementsgeschiedenis.

Het veelgelezen muziekblad Tuney Tunes riep hem in 1951 uit tot de populairste zanger van het land. En dat bleef hij tien jaar lang, tot er uit Amerika en Engeland een nieuw soort popmuziek overwoei waarin Christiani geen rol meer kon spelen. „Maar een echte zanger heb ik mezelf nooit gevonden”, zei hij in deze krant. „Daar had ik de adem en de techniek niet voor. Ik zong korte noten, net iets vóór en na de maat, waardoor het ging swingen. En ik had ook het voordeel dat er in mijn tijd nog niet zo veel zangers waren. Tegenwoordig zijn er in Nederland meer zangers dan behangers, maar destijds was het maar een klein groepje dat de populaire liedjes zong”.

Allemaal waar, maar hij was wel precies de juiste man om met die luchtige liedjes de toon van zijn tijd te treffen.