Recensie

Gaël Faye is een type Stromae maar dan óók schrijver

Dagblad Le Monde sprak bij de rentrée dit jaar van ‘une saison africaine’, zoveel boeken van auteurs van Afrikaanse origine verschenen er. Het gaat bijvoorbeeld om nieuwe romans van Leonora Miano (geboren in Kameroen) en Natacha Appanah (Mauritius), er verscheen een essaybundel van Alain Mabanckou (Congo) en twee bijzondere debuten: Anguille sous roche van Ali Zamir (geboren op de Comoren), en Petit pays van Gaël Faye uit Burundi. Die laatste werd meteen voor een paar grote prijzen genomineerd en haalde ook de tweede selectie van de prix Goncourt.

Gaël Faye, type Stromae, jong, getalenteerd en niet bang voor camera’s, werd bekend als rapper van de band Coffee Milk en Sugar, met songs als Prévu pas prévu. Hij werd in 1982 in Burundi geboren, heeft een Rwandese moeder en een Franse vader en vertrok aan de vooravond van de burgeroorlog, in 1995, naar Frankrijk. Zijn mooie debuutroman, Petit pays, is geïnspireerd op de eerste jaren in zijn geboorteland. Zijn alter ego, Gaby, groeit op in Bujumbura, Burundi, in een doodlopend straatje, tussen mangobomen, orchideeën en met een rivier vlakbij. Zijn vader heeft hem al vroeg uitgelegd dat er in het land drie ethnische groepen zijn, net als in buurland Rwanda, waar zijn moeder vandaan komt: Twa, de pygmeeën, Hutu’s en Tutsi’s. Ze hebben ‘dezelfde taal, dezelfde god, en hetzelfde land’, alleen ‘niet dezelfde neus’ – genoeg reden tot oorlog voeren. Gaby correspondeert met een Frans meisje, op wie hij verliefd wordt. Een buurvrouw leent hem boeken, en zo krijgt hij toegang tot een verbeeldingswereld waarin hij een ander leven kan leiden.

De beruchte genocide van halverwege de jaren 90 voel je dreigend aankomen. Gaby en zijn zus Ana groeien op tussen ruziënde ouders, die uiteindelijk uit elkaar gaan. De bedienden blijven en zijn hun ijkpunt in een veranderende wereld. Hun vriendenclub ontwikkelt zich tot een gang die de buurt wil beschermen. Tegelijkertijd loopt het politiek gezien in buurland Rwanda uit de hand. Daar woont een deel van de familie, daar worden de machetes uitgedeeld, daar wordt het racisme willens en wetens aangewakkerd, vandaar verspreidt het geweld zich naar de buurlanden. Als moeder, ongerust over haar familie, naar Kigali gaat, komt ze maanden later als een wandelende zombie terug: wat ze heeft gezien en meegemaakt heeft haar het verstand doen verliezen.

Petit pays is geschreven vanuit het perspectief van een verteller die teruggaat naar zijn geboorteland: ‘ik dacht dat ik verdreven was uit mijn land. Terugkerend in de sporen van mijn verleden, begrijp ik dat ik verdreven ben uit mijn kindertijd. Dat lijkt me nog wreder’. Het is knap hoe deze debutant de idylle van zijn kindertijd heeft weten te verbinden met gruwelijke misdaden tegen de menselijkheid zonder op enig moment pathetisch of larmoyant te worden.