Recensie

Del Amo bouwt zijn obsessie voor smerigheid uit

Zelden word je van een roman fysiek onpasselijk. Jean-Baptiste Del Amo (1981) slaagt daar wel in – met vlag en wimpel. Acht jaar geleden debuteerde hij met de roman Une éducation libertine, die prompt de Prix Goncourt du premier roman kreeg. Hij liet zijn hoofdpersoon uit de provincie belanden in de stinkende, smerige, jeukende zelfkant van de Franse hoofdstad en carrière maken via list en bedrog. Ook toen al viel Del Amo’s extreem zintuiglijke, exuberante taalgebruik op, ook toen al vloog hij daarbij uit de bocht.

Vier boeken later heeft de 34-jarige auteur zijn obsessie voor smerigheid, rotting en misère tot in de perfectie uitgebouwd. Hij excelleert in het voelbaar, tastbaar en ruikend maken van excrementen, aftakelende lichamen, gruwelijke verwondingen, wrede mishandelingen en rottingsprocessen bij allerhande stervende wezens.

Het onderwerp van zijn ruim vierhonderd bladzijden tellende roman, een familie van varkensfokkers, geeft hem ruim de gelegenheid te zwelgen in bloed, pus, zweet, faeces en fluimen. Het boek opent met een scène waarin ‘de verwekster’ op haar zij, tussen de varkens, een miskraam krijgt, waarna de dieren zich, niet voor de eerste keer, tegoed doen aan de misgeboorte.

Rauw en ruw is het leven er, in de Gers, een streek in Zuid-West Frankrijk, aan het begin van de twintigste eeuw. Gesproken of bemind wordt er niet, wel wordt er geweld gebruikt, tegen mens en dier, onophoudelijk en met overgave. Een paar gespaarde munten geeft de volgende, al even barbaarse generatie, na de oorlog, de gelegenheid een varkensfokkerij op te zetten. Bijna wellustig beschrijft de auteur de vreselijke omstandigheden waarin de dieren – we zijn inmiddels in de jaren tachtig beland – gehouden worden, de marteling die hen ten deel valt bij de castratie en bij de slacht. Productie moet er gedraaid worden, het woord dierenleed behoort niet tot het vocabulaire, alle middelen worden ingezet om de winst te verhogen. Uiteindelijk breken er epidemieën uit, de gebruikte pesticiden vellen ook de mens, die wordt getroffen door dodelijke ziekten. De mens die de natuur en het dier wilde beheersen gaat ten onder aan zijn eigen optreden.

Del Amo toont zich hier een dierenactivist, die aandacht vraagt voor de omstandigheden waaronder dieren industrieel worden gefokt. Maar de middelen die hij inzet zijn zo grof dat ik vermoed dat de meeste lezers het boek al voor het einde, murw geslagen, terzijde zullen leggen.