De ware Juliana was geen feminist

Biografie

Jolande Withuis deed zes jaar onderzoek naar Juliana. ‘Ze had pech met haar man.’ Zonder Bernhard was ze misschien steviger geweest.

Koningin Juliana op de fiets in 1972 Foto: Benelux Press

‘Juliana was…” Op de bank in haar huis te Zutphen maakt Jolande Withuis een kluwen van gebaren naast haar hoofd en daarbij het geluid van een opstijgende raket. „Ze is geen eenvoudig persoon. Bijna niet te grijpen.”

Zes jaar heeft de historicus onderzoek gedaan naar Juliana, prinses en koningin van Nederland, het werk heeft zijn weerslag gekregen in ruim 850 pagina’s – en nog blijft er zoveel over wat moeilijk te rijmen valt.

Toen haar onderzoek nog gaande was, bracht Withuis al Juliana’s vergeten oorlog uit, nu geïntegreerd in Juliana. Vorstin in een mannenwereld. In de beschrijving van de jaren 40-45, toen de prinses met haar oudste kinderen in Canada leefde, corrigeert Withuis het beeld van de huismoeder die door moeder en echtgenoot op veilige afstand was gezet om de dynastie veilig te stellen en die daar wat ging breien. Ze reisde over het continent om in felle lezingen het afzijdige Amerika op de oorlog in Europa te attenderen. Ze werd er om geprezen en raakte bevriend met president Roosevelt en diens vrouw Eleanor.

Niet voor niets eindigt Withuis haar boek met de zinsnede dat Juliana „in Canada haar meest competente en waarschijnlijk de gelukkigste jaren beleefde”. Met ‘competent’, zegt Withuis, bedoelt ze „dat Juliana op een adequate manier handelend optreedt. Niet zo aarzelend. In haar eerste lezing zit nog vleugje van de Juliana die denkt dat ze het meest tekortgedane meisje op aarde is. Maar je ziet haar groeien.”

In de biografie bekijkt de feministe Withuis Juliana door een feministische bril en ziet (dus) veel feministische trekjes: diepe vriendschappen met vrouwen, een streven naar gelijkheid tussen de seksen, „een commitment aan de vrouwenzaak. Dat had ik niet verwacht”.

Grillig en afhankelijk

Een feministe noemt Withuis Juliana niet. „Daarvoor is ze te inconsistent, te grillig en te afhankelijk.”

Over afhankelijkheid gesproken: die sterke vrouw uit de oorlog wordt tien jaar later als was in de handen van gebedsgenezeres Greet Hofmans en de kwaadaardige sekte om haar heen. „Dat is het grote raadsel. Dat moest ik zien op te lossen en ik vind dat ik daar een eind in kom.”

Het verdriet om de oogaandoening van haar jongste kind, Juliana’s neiging tot hoogstpersoonlijke en daarmee al gauw zweverige vormen van religie (een erfenis van haar ouders), de miskenning van haar rol in de oorlog en de teleurstelling in haar echtgenoot. Dat is het complex van factoren dat Juliana rijp maakte voor Hofmans ‘doorgevingen’ van ‘boven’. Zodoende werd de koningin die altijd gewoon wilde zijn en in woede kon uitbarsten als een bezoeker een buiging maakte, een vrouw die geloofde dat zij door God was uitverkoren om vrede in de wereld te brengen. De bespottelijkheid van dat idee heeft Juliana sindsdien aangekleefd. Het beeld van de zweverige discipel verdrong het beeld van de onvermoeibare redenaar.

Zo beschreef de nationale oorlogshistoricus Lou de Jong de Canadese jaren als onbekommerde gezinstijd. Juliana las altijd alle conceptteksten van De Jong en voelde zich zelden te groot om op een paar slakken zout te leggen. In dit geval kon Withuis daar niets van terugvinden. „Maar ik denk niet dat hij geweigerd heeft correcties op haar verzoek door te voeren. Ik denk dat zij hem er niet om heeft gevraagd.”

Kan de biograaf die jaren dan wel tot een belangrijke episode verheffen, terwijl de koningin er kennelijk zelf weinig waarde aan hecht?

„Ja, vind ik wel. Het is mijn taak om haar leven te wegen. Het is een van haar beste periodes geweest. Dat vond ze eerst zelf ook. Ze heeft niet voor niks de redes laten uitgeven die ze in Noord-Amerika had gehouden. Ik vermoed dat ze zich er uiteindelijk gewoon bij heeft neergelegd dat het niet werd gezien. Wilhelmina vond overigens ook dat het werk van haar dochter overzee werd miskend.”

Was dat dan de ‘ware’ Juliana? „Moeilijk”, zegt Withuis. „Er waren een heleboel Juliana’s. Maar dit is wel een Juliana die er had kúnnen zijn. Er was een stevige Juliana mógelijk. Ze heeft wat dat betreft wel pech gehad met haar man.”

Bernhards glamourprinses

De „seksistische blik” waarmee Juliana in de jaren dertig werd behandeld door mannen die haar aan de man wilden helpen, ging volgens Withuis na haar huwelijk naadloos over in de manier waarop Bernhard haar probeerde te kneden en te kleden tot glamourprinses. Withuis, die geen toegang kreeg tot het Koninklijk Huis Archief (KHA), vond een prachtige bron voor Juliana’s ongemak daarmee. Het Zweedse tijdschrift Husmodern sprak in 1943 met de prinses en hoorde van haar dat ze zichzelf geen „modepop” vond en dat haar „belangstelling meer uitging naar academische en actuele vraagstukken dan naar kleding”.

Een heel fijne vondst, zegt Withuis. „Je zit steeds in je hoofd te bouwen aan dat bouwwerk en als je dat dan leest, dan denk je: oef, ik heb het niet allemaal verzonnen, ze zegt het ook zelf.”

Een andere bron die ze „in de schoot geworpen kreeg” onthulde het bestaan van een vriendinnenclub waarvan Juliana vanaf 1948 vijftig jaar lid is geweest, en waar zowel „typische damesdingen” werden besproken als het „radicaal-feministisch gedachtengoed” van Simone de Beauvoir.

Hopeloos huwelijk

Dat Withuis geen toegang kreeg tot het KHA en „na lang aarzelen” besloot geen gesprekken aan te vragen met Juliana’s dochters, wil niet zeggen dat ze Cees Fasseur, de historicus die wel het archief mocht onderzoeken, moet navolgen. Volgens haar keek hij in zijn Juliana & Bernhard „toch een beetje met een mannenblik”. Bij Wilhelmina, over wie hij een biografie schreef, doet hij dat niet, zegt Withuis. „Ik heb hem tijdens een lezing haarfijn horen uitleggen dat Wilhelmina het als jonge koningin moest opnemen tegen de mannen die haar omringden. Maar bij Juliana, als het om Bernhard gaat, ziet hij het niet.”

Zijn voortdurende en openlijke ontrouw, de vernederingen waarmee Bernhard Juliana kwetste, het is een hopeloos huwelijk dat culmineert in de loopgravenoorlog in de jaren vijftig, als Juliana in de ban raakt van Hofmans. Bernhard zorgt ervoor dat de affaire via de pers naar buiten komt en wordt daarom door Fasseur beschouwd als redder van de monarchie. Daar verschilt Withuis met de inmiddels overleden historicus van mening. „In de eerste plaats heb ik een biografie van Juliana geschreven. Mijn maatstaf is niet of de monarchie werd gered. Net als Fasseur vind ik dat er aan die Hofmans een einde moest komen. Maar niet zoals Bernhard het deed. Dat was harteloos. Zo mag je iemand niet behandelen.”