Recensie

Cusset richt een monument op voor een verdwenen vriend

Het is een wat curieuze titel, L’autre qu’on adorait, de ander op wie we gek waren, die de meest recente roman van Catherine Cusset heeft meegekregen. Die ander, van wie iedereen zo hield, is Thomas, die al op de eerste bladzijden van het boek, op zijn negenendertigste, dood wordt aangetroffen in zijn huis. Zelfmoord.

Wat volgt is een portret van Thomas, een sprankelende, intelligente, ondernemende man, dermate getalenteerd dat de wereld in principe aan zijn voeten lag. En die het toch niet redde, uit het leven stapte. Thomas is een Fransman uit een bevoorrecht gezin, met een moeder die hem adoreert, een zus, een brede vriendenkring en vriendinnen bij de vleet. Hij gaat letteren studeren en raakt gegrepen door het werk van Proust. Catherine Cusset, die al een tiental over het algemeen bijzonder goed ontvangen romans heeft geschreven, zet een citaat van Proust aan het begin van haar boek, vrij weergegeven komt het neer op het volgende: ‘een persoon is niet, zoals ik dacht, helder en onbeweeglijk met al zijn kwaliteiten en gebreken, in zijn plannen en zijn bedoelingen, maar een schaduw waarin we nooit doordringen, die we nooit direct kennen, over wie we alleen maar onvolledige en tegenstrijdige informatie hebben’. De ander, met andere woorden, is onkenbaar, hoe lang en hoe intens we ook met hem of haar zijn omgegaan.

Dat is ook de ervaring van de vertelster, die meer dan 20 jaar bevriend was met Thomas en die hem in het boek voortdurend met ‘tu’, ‘jij’, aanspreekt, een vertelvorm waar je als lezer even aan moet wennen. Hoe kan het, vraagt ze zich af, dat ‘jij’ die met een gouden lepel in de mond geboren bent, die tussen Frankrijk en Amerika pendelde, steeds de verkeerde keuzes maakte? Hoe kan het dat hij niet in staat was de boeken te schrijven die hij in zich had, in Amerika niet de droomcarrière maakte die iedereen verwachtte, niet bij de vrouwen bleef die van hem hielden? Dat Thomas bipolair bleek te zijn is onvoldoende antwoord op haar vragen.

Scherp, onbarmhartig en met groot psychologisch inzicht portretteert Cusset de romanfiguur die, zoals ze in interviews heeft verteld, op een van haar persoonlijke vrienden is geïnspireerd. Ze schreef een monument voor hem, bracht een ode aan hun vriendschap. Tussen de regels door schemert, ook jaren later nog, die ene vraag naar het waarom.