Recensie

Bij Gros zijn de Middeleeuwen erg banaal geworden

Bijna ieder jaar staat er op de longlist van de prix Goncourt een roman over de Middeleeuwen die de religieuze excessen van die periode tot onderwerp heeft. Vooral het lot van vrouwen uit die tijd houdt hedendaagse romanciers regelmatig bezig. Een paar jaar geleden was er Le roi disait que j’étais diable van Clara Dupont-Monod over Aliénor d’Aquitaine, vorstin uit de 12e eeuw, die in haar jonge jaren van hekserij werd beticht. Daarna was er Du domaine des murmures van Carole Martinez over een jonge vrouw uit diezelfde eeuw die, om aan haar gedwongen huwelijk te ontsnappen, verklaart zich aan God te willen wijden – wat haar op een gruwelijke straf komt te staan: ze wordt levend ingemetseld.

Dit jaar is er Possédées van Frédéric Gros, hoogleraar filosofie en auteur van onder andere Wandelen. Een filosofische gids. Hij haalt een fameuze affaire uit 1632 van stal, die van ‘de bezetenen van Loudun’, een klein plaatsje ten noordwesten van Poitiers. De zusters van het Ursulinenklooster, dat geleid wordt door moeder Jeanne des Anges, raken, volgens de annalen, door demonen bevangen. De duivel zelf bezoekt hen ’s nachts, zet hen aan tot immoreel gedrag, bezorgt hen schunnige visioenen, zorgt ervoor dat hun lichaam begint te trillen en dat hun geest in trance raakt. Die duivel is volgens deze bezetenen niemand anders dan Urbain Grandier in persoon, een geliefde, knappe, humanistische, vrijdenkende rooms-katholieke priester uit het dorp.

Gretig tekent Gros voor ons uit hoe hysterisch deze jonge nonnen zijn, hoe dom en volgzaam, hoe uitgekookt de abdis die slechts uit is op roem en macht. Vol wellustige overgave beschrijft hij hun perverse, sadomasochistische zelfkwelling, hun handen die ’s nachts naar ‘het zachte plekje tussen hun dijen gaan’, hun flauwtes en hun aanstellerij.

De arme priester die het waagt ook met protestanten om te gaan, is slechts een pion in een spel dat over zijn hoofd heen – en ten koste ervan – wordt gespeeld, touwtrekkerij over macht, tussen kerk en vorst. De rooms-katholieke kerk voelt zich bedreigd door het opkomende protestantisme, door de contrareformatie, de hugenoten ondermijnen het gezag van de kerk. Kardinaal Richelieu, eerste minister van koning Lodewijk XIII, duldt geen oppositie – allemaal factoren die ertoe leiden dat er een voorbeeld gesteld moet worden: Grandier eindigt op de brandstapel.

Kitsch en pathetisch is deze roman, vol banaal seksueel-suggestieve zinnen, platte dialogen en gebrekkige karakters. De roman geeft een vrouwbeeld dat misschien klopt met de manier waarop sommige machthebbers aan het begin van de 17e eeuw naar jonge vrouwen keken, maar dat op geen enkel moment overtuigt. Wat heeft de dames en heren van de Académie Goncourt bezeten om dit boek voor de longlist van Frankrijks belangrijkste literaire prijs te nomineren?