Hij stak, maar die schoten waren niet van hem

Wie: Mitchell

Kwestie: poging tot moord, bedreiging, bezit pistool en messen

Waar: rechtbank Amsterdam

©

Tweeëntwintig is hij, vorkheftruckchauffeur in opleiding, een paar duizend euro schuld, woont nog thuis, spreekt lijzig Amsterdams en maakt een gelaten, kalme indruk. Drie maanden huis van bewaring zijn hem zwaar gevallen. In zijn nek zijn de drie Amsterdamse andreaskruisen getatoeëerd. Maar dat is vanochtend niet te zien, vanwege het nette witte overhemd dat tot boven is dichtgeknoopt. Hij wil de meervoudige strafkamer alles vertellen, zolang „dat schietincident maar van m’n naam afgaat”.

Door die kruisen in z’n nek is hij ook opgespoord. Anders waren van het incident op 28 mei op de Multatuli-brug in hartje Amsterdam alleen de getuigenverklaringen en de hulzen op straat overgebleven. De slachtoffers zijn namelijk onvindbaar. Ze liepen snel weg, net als Mitchell en zijn vriend. Er was gevochten, het had geknald, het plein was zich rotgeschrokken, maar wie had er nu geschoten?

Mitchell was destijds aangeschoten. Ze voelden zich goed, „lekker rustig”. Althans, totdat er een groepje „negroïde jongens” aan kwam lopen. Die hadden het gemunt op het schoudertasje van zijn vriend. Alle getuigen bevestigen dat er werd getrokken en geduwd en dat Mitchell zich er luidkeels mee was gaan bemoeien. Hij bevestigt het. „Ik ga je schieten”, ving Mitchell op. Hij zag één van de zwarte jongens met z’n hand naar een vuurwapen gaan en een ander aanstalten maken hem te slaan. Daarop haalde Mitchell een mes tevoorschijn waarmee hij een „snijdende afwerende beweging” maakte naar één van de zwarte jongens.

Of hij hem raakte weet hij niet. De jongens lieten zijn vriend los en gingen ervandoor. Net als Mitchell. Maar wie is er toen gaan schieten en in welke richting? Mitchell ontkent bewapend te zijn geweest – hij hoorde de schoten tijdens het wegrennen, achter zich.

De politie interviewde ten minste zeven getuigen; één van hen was ervan overtuigd dat hij Mitchell had zien schieten. Eén meende dat een van de zwarte jongens schoot. En de anderen hebben wisselende verklaringen afgelegd; een blanke jongen had geschoten, een licht getinte, met baardgroei, nee, een jongen die wel Pakistaans kon zijn, of Antilliaans, of zwart, met witte shorts, nee zwarte kleding. Eén met tatoeages in z’n nek.

Bij de huiszoeking werd bij Mitchell een omgebouwd alarmpistool gevonden, van het juiste kaliber. Maar of dit wapen bij de gevonden hulzen hoorde, kon niet worden vastgesteld.

De officier en de advocaat halen uit het bewijs wat bij hun verhaal past – het Openbaar Ministerie (OM) ziet Mitchell als dader, de advocaat zegt dat er nog ten minste twee andere scenario’s passen in het bewijs. De officier trekt wel de verdenking ‘poging moord’ in; er is te weinig informatie van de eventuele slachtoffers. Ook het steken met een mes trekt de officier in – of Mitchell de zwarte jongen heeft geraakt, weet niemand. Blijft over wapenbezit en bedreiging met een pistool. Daarvoor moet hij van het OM 27 maanden de cel in, waarvan 6 voorwaardelijk.

De advocaat vindt dat het steekincident bewezen kan worden, maar het schieten niet, net zo min als de bedreiging. Het is niet duidelijk geworden wie een wapen in handen had. De politie had beter moeten zoeken naar de zwarte jongens. De getuige die Mitchell het duidelijkst aanwees, kwam daarmee pas vijf dagen na het incident – toen er in de Amsterdamse media al het nodige was verteld en de getuige met anderen had kunnen praten over zijn herinnering.

De rechtbank veroordeelt Mitchell twee weken later tot vijf maanden cel met aftrek van een maand, zodat hij vrijwel meteen kan vrijkomen. Dat Mitchell geschoten heeft of met een wapen dreigde, is niet bewezen; er is „geen eenduidig beeld” door de getuigen geschetst. Wel vindt de rechtbank steken bewezen. Van noodweer was daarbij geen sprake. Mitchell moet zich melden bij de reclassering en de schuldhulpverlening en moet een cursus ‘gedragsinterventie’ volgen.