Opinie

Het mbo verslonst

Op het hbo doen mbo’ers het minder goed dan tien jaar geleden. Niet het hbo is veranderd, maar het mbo, zegt socioloog Marcel Mooijman.

Foto Paul van Riel/Hollandse Hoogte

Mbo’ ers studeren succesvol op het hbo. Althans, dat was tien jaren geleden zo. En nu blijkt deze trend gekeerd. Onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (Wikken en wegen) toont dat oud-mbo-leerlingen het moeilijk hebben. Zij vallen in het hbo vaker uit en doen langer over hun studie dan havisten. Wat is er in die tien jaar veranderd? Het rapport en ook hbo-bestuurders als Thom de Graaf wijzen op een paar pijnpunten. Maar het grootste pijnpunt omzeilen zij: in het mbo zijn in deze periode structurele, door wet en beleid in het leven geroepen problemen ontstaan.

opiauteur Mooijman Marcel

Eerst de vraag: ligt het falen van mbo’ers aan het hbo? In het rapport wijzen „betrokkenen” op het stijgende niveau van het hbo. Hogescholen zouden na de fraudegevallen op hogeschool Inholland, hun eisen hebben opgekrikt. Mbo’ers zijn daarvan het slachtoffer. Dit is echter onjuist. De fraudegevallen omvatten een klein aantal opleidingen en studenten. Een overgroot deel van de hbo-opleidingen in Nederland was en is hoogwaardig. Wel kregen de opleidingen daarna te maken met een verantwoordingsbureaucratie (in zogenaamde visitaties en accreditaties) om hun kwaliteit te bewijzen. Dit kostte veel schrijftijd. Maar (verdere) niveauverhoging? Nee.

Waar ligt het probleem dan wel? In drie fundamentele problemen van het mbo, die de bestuurders en het rapport nauwelijks onder ogen zien:

1 Kapper voor de klas

Door de Wet educatie en beroepsonderwijs kunnen mbo-scholen docenten aannemen zonder lesbevoegdheid. De achtergrond hiervan is sympathiek. Ervaren automonteurs, kappers en bloemisten kunnen op een mbo werken, zonder dat zij vier jaar (of meer) opleiding moeten ondergaan. Wel is een zogenaamd Pedagogisch Didactisch Getuigschrift verplicht. De opleiding daartoe is algemeen, niet vakinhoudelijk. Het getuigschrift is in één jaar, zonder werkonderbreking, te halen. Van deze constructie maken mbo’s massaal gebruik, ook voor vakken als Nederlands, wiskunde, economie, burgerschap (maatschappijleer), etc. Het gevolg is dat deze ‘zaakvakken’, waar lerarenopleidingen voor bestaan, gegeven worden door docenten die daarvoor niet vakinhoudelijk zijn geschoold. Ik ken een mbo-school waar, van de twintig burgerschapsdocenten, er maar één een officiële bevoegdheid heeft.

Bevoegde docenten zorgen ervoor dat leerlingen effectief leren. Het is daarom begrijpelijk dat mbo’ers in de zaakvakken achterstand hebben. Thom de Graaf wijst op onvoldoende kennis van Nederlands en Engels, maar vergeet deze oorzaak erbij te noemen. Cynisch is daarbij dat minister Bussemaker onlangs in een kamerbrief liet weten het mbo te vertrouwen in het aanstellen van deskundig personeel. Zij wil niet wettelijk regelen dat, net als tien jaar geleden, alleen bevoegde docenten in het mbo mogen werken.

2 Het einddoel is vaag

Tien jaar geleden golden voor de zaakvakken in het mbo eindtermen en examenprogramma’s. Er waren ook landelijke examens. Net als in het voortgezet onderwijs was nauwkeurig omschreven wat de leerlingen moesten kennen en kunnen. En dat werd centraal getoetst.

Tegenwoordig moeten de mbo-leerlingen een ‘kwalificatiedossier’ opbouwen. De eisen voor dit dossier zijn heel ruim. Meestal bestaan ze uit vaag geformuleerde ‘competenties’. Mbo’s toetsen zelf of de leerlingen over de competenties beschikken. Sinds kort bestaan er voor onderdelen als Engels en Nederlands wel weer centrale examens en eindtermen. Maar bij andere vakken is het eindniveau vaag onder woorden gebracht en bestaan landelijke examens niet. Voor sommige competenties bestaat zelfs alleen maar een ‘inspanningsverplichting’, toetsing hoeft dan niet eens. Mbo’s kunnen zich zo veroorloven het laagste prestatieniveau van leerlingen te verwachten.

3 Kennis is wél belangrijk

Competentiegericht onderwijs heeft ook gevolgen voor de didactiek.

Mbo-leerlingen moeten realistisch oefenen met competenties in een (in onderwijsjargon) ‘contextrijke omgeving’. Mbo’s kiezen daarom werkvormen als projectwerk, groepswerk, opzoekopdrachten, het maken van werkstukken.

Dit is een werkwijze die relatief weinig cognitie van de leerling vraagt. Daarnaast kan dit soort werk snel ontaarden in knippen en plakken van internet, of extensief onderwijs (weinig lessen met de docent). Overigens, het zijn ook werkvormen die geen vakinhoudelijke, maar een begeleidende rol van docenten vraagt. Vandaar dat het mbo toe kan met onbevoegde docenten. Op het hbo worden dergelijke cognities wel gevraagd, aangevuld met kennis zoals onder punt 2 genoemd. Dat is met het competentiegerichte onderwijs op het mbo geheel ondergesneeuwd.

Op het mbo staat beroepsvoorbereiding centraal. Zo hoort het. Maar beroepsvoorbereiding ontslaat het mbo niet van de verplichting om heldere eindeisen te gebruiken, met examens op niveau, met cognitietraining door vakinhoudelijk deskundige en bevoegde docenten. De Wet educatie en beroepsonderwijs en de overheid bieden het mbo daarvoor vrijheid. Het is ermee aan de haal gegaan. Willen we succesvol mbo’ers opleiden én hen de mogelijkheid geven door te stromen, dan dient deze vrijheid te worden ontnomen. Het is jammer dat het rapport en de hbo-bestuurders dit niet onderkennen.